ECLI:NL:RBSGR:2008:BF0808
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens onrechtmatige bewaring
Eiser werd op 2 mei 2008 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Een eerder beroep tegen deze maatregel werd door de rechtbank ongegrond verklaard, waarna eiser hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS). Op 16 juli 2008 heeft de AbRS de maatregel opgeheven omdat deze vanaf het begin onrechtmatig was.
Eiser stelde op 14 juli 2008 een nieuw beroep in tegen het voortduren van de vrijheidsontneming en vorderde opheffing van de bewaring en schadevergoeding. Op 29 juli 2008 trok eiser dit beroep in en verzocht om veroordeling van de verweerder in de proceskosten.
De rechtbank stelde vast dat de intrekking van het beroep gelijkgesteld moest worden aan een situatie van (gedeeltelijke) tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ondanks dat het bestuursorgaan formeel niet aan het beroep was tegemoetgekomen. Gezien de uitspraak van de AbRS was het bestuursorgaan daartoe wel gehouden. Daarom wees de rechtbank het verzoek tot proceskostenvergoeding toe en veroordeelde de Staat tot betaling van €322 aan eiser.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staat tot betaling van €322 aan eiser wegens proceskosten na intrekking van het beroep wegens onrechtmatige bewaring.