ECLI:NL:RBSGR:2008:BF1571
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging ongewenstverklaring op grond van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag wegens onvoldoende motivering en hoorplichtschending
Verzoeker, van Afghaanse nationaliteit, werd ongewenst verklaard en zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd werd ingetrokken op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Dit besluit was gebaseerd op een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken uit 2000, waarin werd gesteld dat personen die werkzaam waren bij de Afghaanse veiligheidsdienst tijdens het communistische bewind vermoedelijk betrokken waren bij mensenrechtenschendingen.
Verzoeker betwistte gemotiveerd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven in de zin van artikel 1(F) en voerde aan dat het ambtsbericht niet zonder meer op hem van toepassing kon zijn. Tevens stelde hij dat hij niet gehoord was tijdens de bezwaarprocedure, terwijl de verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond had verklaard en daarom afzag van het horen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was, omdat er twijfel bestond over de juistheid van het ambtsbericht en de individuele toepassing van artikel 1(F). Verweerder had ten onrechte afgezien van het horen van verzoeker, wat een schending van de hoorplicht betekende. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat in de hoofdzaak werd beslist.
Uitkomst: Het besluit tot ongewenstverklaring en intrekking van de verblijfsvergunning asiel is vernietigd wegens schending van de hoorplicht en onvoldoende onderbouwing.