ECLI:NL:RBSGR:2008:BF3754
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.G.L. de Vette
- C. van Boven-Hartogh
- P. Putters
- Rechtspraak.nl
Ongewenstverklaring op grond van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag wegens betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen KhaD/WAD
Eiser is ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat hij als officier bij de KhaD/WAD betrokken zou zijn geweest bij ernstige mensenrechtenschendingen. Verweerder baseerde dit op een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken en het beleid rond artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.
Eiser voerde aan dat het ambtsbericht onjuist en subjectief was, dat de besluitvorming onvoldoende op zijn persoon was toegespitst, en dat zijn ongewenstverklaring in strijd was met artikel 6 en Pro 8 EVRM. De rechtbank oordeelde dat het ambtsbericht als deskundigenadvies objectief en inzichtelijk was en dat er geen concrete aanknopingspunten waren om aan de juistheid te twijfelen. Tevens werd het beroep op artikel 6 EVRM Pro verworpen omdat deze procedure niet onder dat artikel valt.
De rechtbank stelde vast dat eiser, gezien zijn rang en werkzaamheden, binnen de KhaD/WAD behoorde tot de categorie hoofdofficieren die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen. Er was geen aannemelijk gemaakt significante uitzondering. De belangenafweging volgens artikel 8 EVRM Pro leidde tot het oordeel dat het algemene belang van de Nederlandse overheid zwaarder woog dan het persoonlijke belang van eiser om zijn gezinsleven in Nederland voort te zetten.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De rechtbank wees ook proceskostenveroordeling af en liet stellingen die pas ter zitting werden ingebracht buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en de verklaring blijft van kracht.