ECLI:NL:RBSGR:2008:BF9274
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Recht op omgang tussen grootouders en overige familie en minderjarige kinderen woonachtig in Israël
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde een verzoek van grootouders, oom en tante woonachtig in Nederland om te verklaren dat zij een recht op omgang hebben met twee minderjarige kinderen die in Israël wonen. De ouders van de kinderen zijn gescheiden en de kinderen hebben zowel de Nederlandse als Israëlische nationaliteit. De rechtbank nam kennis van de feitelijke omstandigheden, waaronder het frequente contact en verblijf van familieleden bij de kinderen in Israël.
De rechtbank oordeelde dat, hoewel de kinderen hun gewone verblijfplaats in Israël hebben, er voldoende aanknopingspunten zijn met de Nederlandse rechtssfeer om het recht op omgang volgens Nederlands recht vast te stellen. Dit recht is gebaseerd op artikel 1:377f BW en het begrip 'family life' uit het EVRM. De vader betwistte het bestaan van family life met oom en tante niet effectief.
De rechtbank wees het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling af wegens gebrek aan rechtsmacht, omdat onvoldoende zicht bestaat op de leefomstandigheden van de kinderen in Israël en het forum van de gewone verblijfplaats van de kinderen het meest geschikt is om dergelijke regelingen te treffen. Ook kon de rechtbank geen rechtsmacht ontlenen aan internationale verdragen of uitzonderingen in het Nederlandse procesrecht.
De rechtbank bepaalde dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt en wees het meer of anders verzochte af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart dat grootouders, oom en tante een recht op omgang hebben met de minderjarige kinderen, maar wijst het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling af wegens gebrek aan rechtsmacht.