ECLI:NL:RBSGR:2008:BG2007
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- P. Joele
- M. Groeneveld-Stubbe
- A.C. Olland
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot erkenning Nederlandse nationaliteit op grond van ongeldige optieverklaring
Verzoeker, geboren in 1968 te Accra, Ghana, stelde dat zijn moeder namens hem in 1987 een geldige optieverklaring had afgelegd voor het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit. De Staat betwistte dit op grond van onvoldoende vaststelling van identiteit en afstamming en het niet voldoen aan artikel 27 lid 2 van Pro de oude Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
De rechtbank stelde vast dat de moeder van verzoeker in 1987 niet meer de Nederlandse nationaliteit bezat, zoals bevestigd in een eerdere beschikking van 10 mei 2000 waarin haar verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap was afgewezen wegens langdurig verblijf buiten Nederland zonder behoudsverklaring. Bovendien was verzoeker op het moment van de optieverklaring meerderjarig, terwijl volgens de wet de verklaring door de moeder alleen voor minderjarigen kon worden afgelegd.
De rechtbank oordeelde dat de optieverklaring daarom niet rechtsgeldig was en dat verzoeker nooit de Nederlandse nationaliteit had verkregen. Het beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, kon niet leiden tot het verkrijgen van het Nederlanderschap, aangezien de wet limitatief de verkrijgingswijzen bepaalt.
De rechtbank concludeerde dat het verzoek tot vernietiging van de beslissing tot verwijdering van het Nederlanderschap uit de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) moest worden afgewezen. Er was geen sprake van intrekking van een besluit, maar van een ongeldig afgelegde eenzijdige rechtshandeling volgens de oude wetgeving.
Uitkomst: Het verzoek tot vernietiging van de verwijdering van de Nederlandse nationaliteit uit de GBA wordt afgewezen omdat de optieverklaring ongeldig was.