ECLI:NL:RBSGR:2008:BG3343
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring en voortvarendheid uitzetting
Eiser is in vreemdelingenbewaring gesteld vanwege het ontbreken van een geldig identiteitsbewijs, het niet melden bij de korpschef, het ontbreken van een vaste verblijfplaats en onvoldoende middelen, gecombineerd met een strafrechtelijke veroordeling. Eiser betoogde dat verweerder onvoldoende had gedaan om zijn uitzetting voor te bereiden, onder meer door hem niet de mogelijkheid te bieden op eigen gelegenheid naar Frankrijk terug te keren en onvoldoende inspanningen te verrichten voor verlenging van zijn paspoort.
De rechtbank stelde vast dat verweerder tijdens de strafrechtelijke detentie meerdere keren contact met eiser had gehad en onderzoek had gedaan naar zijn identiteit. Eiser had zelf aangegeven dat zijn broer in Frankrijk het paspoort zou opsturen. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet verplicht was om eiser te presenteren bij de Marokkaanse autoriteiten voor paspoortverlenging, aangezien het primair de verantwoordelijkheid van de vreemdeling is om over een geldig identiteitsbewijs te beschikken.
Verder oordeelde de rechtbank dat de gedragslijn van de Minister van Justitie betreffende legaal in België verblijvende vreemdelingen niet analoog van toepassing is op eiser. De rechtbank vond geen reden om verweerder te verplichten deze gedragslijn uit te breiden. Uit stukken en zitting bleek dat de uitzettingsprocedure conform de Vreemdelingenwet 2000 was gevolgd, met tijdige claim bij Franse autoriteiten en geplande overdracht.
De rechtbank concludeerde dat de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig was en dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.