ECLI:NL:RBSGR:2008:BG3913

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
3 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/37016
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:70 AwbArt. 8:75 AwbArt. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortzetting vreemdelingenbewaring bij gewijzigde omstandigheden inzake uitzettingszicht

Eiseres is op 19 september 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld en heeft beroep ingesteld tegen de voortzetting daarvan. Zij betoogde dat er geen reëel zicht op uitzetting was, mede omdat de situatie precair bleef en twijfel bestond over de afgifte van laissez-passers door de Chinese autoriteiten.

Verweerder stelde dat er inmiddels een tweede laissez-passer was afgegeven voor een ongedocumenteerde Chinese vreemdeling, zonder tussenkomst van de IOM, wat duidt op een gewijzigde situatie met zicht op uitzetting. De rechtbank concludeert op basis van deze gewijzigde omstandigheden dat het eerdere oordeel dat geen zicht op uitzetting bestond, niet langer houdbaar is.

De rechtbank benadrukt dat de situatie precair blijft en toekomstig zicht op uitzetting mede afhangt van de mate waarin laissez-passers worden afgegeven aan Chinese vreemdelingen die niet vrijwillig via de IOM terugkeren. Na afweging van alle belangen acht de rechtbank de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel redelijk en niet in strijd met de wet.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De uitspraak is gedaan door voorzitter Baldinger op 3 november 2008.

Uitkomst: Het beroep tegen voortzetting van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken
Uitspraak
op grond van artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 96 en Pro artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 08/37016
V-nr.: [nummer]
inzake:
[eiseres], geboren op [1968], van (gestelde) Chinese nationaliteit, verblijvende in het Detentiecentrum Zeist te Soesterberg, eiseres,
gemachtigde: mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam
tegen:
de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. J. Raaijmakers, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op 19 september 2008 is eiseres op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Een eerder beroep tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel is door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard bij uitspraak van 7 oktober 2008.
Bij beroepschrift van 15 oktober 2008 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 28 oktober 2008. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Eiseres heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Eiseres is van mening dat er geen sprake is van zicht op uitzetting. De situatie is precair. De gemachtigde van eiseres heeft vernomen dat er inmiddels een tweede laissez-passer zou zijn verstrekt door de Chinese autoriteiten. Het zou hier een ongedocumenteerde vreemdeling betreffen. Dat zou heel bijzonder zijn aangezien er altijd wordt gevraagd om documenten. Eiseres heeft dan ook het gevoel dat er meer achter zit. Op basis van de door verweerder verstrekte gegevens wordt dit niet voldoende duidelijk. Eiseres persisteert dan ook bij haar standpunt dat er geen sprake is van een reëel zicht op uitzetting. De in september 2008 uitgezette vreemdeling betrof een incident.
Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Het is juist dat er op 21 oktober 2008 een tweede laissez-passer is verstrekt. Het betreft hier een ongedocumenteerde vreemdeling en de IOM was er niet bij betrokken. Deze gang van zaken sterkt verweerder in zijn opvatting dat de inspanningen die verweerder heeft verricht hebben geleid tot een veranderde opstelling van de Chinese autoriteiten. Nu afgifte van een laissez-passer mede afhankelijk is van de houding van de vreemdeling met betrekking tot bijvoorbeeld het aanleveren van documenten, is verweerder van mening dat er thans sprake is van zicht op uitzetting.
De rechtbank overweegt het volgende.
Het onderhavige beroep is het tweede beroep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. Thans dient te worden beoordeeld of de voortgezette toepassing daarvan gerechtvaardigd is te achten.
Tussen partijen is in geschil of er een reëel perspectief op uitzetting is binnen redelijke termijn.
Op grond van de door verweerder verstrekte inlichtingen is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een wijziging in omstandigheden waardoor thans niet langer kan worden geoordeeld dat geen reëel zicht op uitzetting bestaat. Redengevend hiervoor is dat verweerder ter zitting van 28 oktober 2008 heeft verklaard dat, nadat de Chinese autoriteiten op 8 september 2008 een laissez-passer hebben afgegeven voor een vreemdeling van wie alleen de naam, geboortedatum en het identiteitsnummer bekend waren, zij op 21 oktober 2008 wederom een laissez-passer hebben afgegeven ten behoeve van een ongedocumenteerde Chinese vreemdeling, waarbij de IOM geen rol heeft gespeeld.
De rechtbank hecht eraan op te merken dat op dit moment weliswaar niet tot het oordeel kan worden gekomen dat geen zicht op uitzetting bestaat, maar dat de situatie precair blijft. Of in de (nabije) toekomst zicht op uitzetting aanwezig is, hangt mede af van de vraag of en in welke mate LP’s worden afgegeven ten behoeve van Chinese vreemdelingen, die niet vrijwillig via de IOM terugkeren.
Na beoordeling van de door of namens eiseres naar voren gebrachte beroepsgronden, concludeert de rechtbank dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel of de wijze van tenuitvoerlegging niet in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van Pro de Vw 2000 of artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 3 november 2008 door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, in tegenwoordigheid van M.M.J. Mooijer, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.