ECLI:NL:RBSGR:2008:BG3926
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortduring vreemdelingenbewaring na voorlopige voorziening asielprocedure
Eiser, een vreemdeling van Colombiaanse nationaliteit, werd op 26 mei 2008 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Na afwijzing van zijn asielaanvraag en het instellen van beroep, werd op 19 juni 2008 een voorlopige voorziening toegekend die uitzetting tijdens de beroepsprocedure verbood. Hierdoor had eiser rechtmatig verblijf volgens artikel 8, onder h, van de Vw 2000.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring na deze voorlopige voorziening niet langer dan zes weken mocht duren, en dat gezien de verwijzing van de zaak naar een meervoudige kamer duidelijk was dat binnen die termijn niet zou worden beslist. Verweerder had daarom binnen twee dagen na 19 juni 2008 de bewaring moeten opheffen. De voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel vanaf 21 juni 2008 was onrechtmatig.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, kende een schadevergoeding toe van €280 voor vier dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelde de Staat in de proceskosten van €644. De uitspraak benadrukt de noodzaak van tijdige belangenafweging bij voortzetting van vreemdelingenbewaring na voorlopige voorzieningen in asielprocedures.
Uitkomst: Beroep gegrond verklaard, bewaring onrechtmatig voortgezet na voorlopige voorziening, schadevergoeding en proceskosten toegekend.