ECLI:NL:RBSGR:2008:BG4404
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- B.C. Punt
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit op grond van gerechtelijk vaderschap en postnatale erkenning
Verzoeker heeft de rechtbank verzocht vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit op grond van artikel 4, lid 1, Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), waarbij gerechtelijk vaderschap van de heer A moet worden vastgesteld.
De rechtbank overweegt dat postnatale erkenning in combinatie met gerechtelijk bewijs van verwekkerschap gelijkgesteld kan worden met gerechtelijke vaderschapsvaststelling, mits de erkenning tijdens de minderjarigheid heeft plaatsgevonden. In deze zaak vond de erkenning tijdens de minderjarigheid plaats, maar het gerechtelijk bewijs van verwekkerschap nog niet.
Verzoeker voert aan dat het onderscheid in artikel 3 RWN Pro tussen uit huwelijk geboren kinderen en postnataal geboren kinderen discriminerend is, maar de rechtbank oordeelt dat dit onderscheid niet in strijd is met internationale verdragen en gerechtvaardigd is ter voorkoming van schijnerkenning.
De rechtbank besluit de beslissing pro forma aan te houden tot 1 mei 2008 om verzoeker de gelegenheid te geven door middel van een DNA-onderzoek aan te tonen dat de heer A zijn biologische vader is. Dit onderzoek dient bij voorkeur te worden uitgevoerd in een van de door de Staat genoemde laboratoria.
De beschikking is gegeven door mr. B.C. Punt en uitgesproken op 7 februari 2008.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing pro forma aan tot 1 mei 2008 om verzoeker in de gelegenheid te stellen het biologische vaderschap aan te tonen via DNA-onderzoek.