ECLI:NL:RBSGR:2008:BG5741

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
12 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
Rolnummer: 763964/08-14424
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K.R. van der Graaf
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 lid 1 BWArt. 5 EVRMArt. 12 Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding onrechtmatig passantenverblijf in penitentiaire inrichting voorafgaand aan TBS-kliniekplaatsing

Eiser is veroordeeld tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (TBS) en verbleef voorafgaand aan plaatsing in een TBS-kliniek in verschillende penitentiaire inrichtingen, het zogenaamde passantenverblijf. Hij vordert een schadevergoeding wegens onrechtmatig verblijf in deze inrichtingen.

De Staat voert verweer met een beroep op de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, die een maximale termijn van verblijf in penitentiaire inrichtingen voorschrijft, en op formele rechtskracht van de beslissingen die de verblijfsduur verlengden. Tevens stelt de Staat dat de vordering verjaard is omdat eiser pas in 2007 aanspraak maakte.

De rechtbank overweegt dat de verjaringstermijn van vijf jaar geldt vanaf het moment dat eiser bekend was met de schade en de aansprakelijke partij. De vordering verjaart daarom voor schade ontstaan vóór 21 augustus 2002. De rechtbank stelt vast dat het passantenverblijf na deze datum onrechtmatig was in strijd met artikel 5 EVRM Pro, zoals bevestigd door de Hoge Raad en het EHRM.

De rechtbank wijst een vergoeding toe voor de periode van 21 augustus tot 20 december 2002, ter hoogte van €2.025, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 4 september 2007. De gevorderde incassokosten worden gematigd tot nihil en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €2.025 schadevergoeding met rente wegens onrechtmatig passantenverblijf na 21 augustus 2002.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector kanton locatie 's-Gravenhage
IM
Rolnummer: 763964/08-14424
Datum: 12 november 2008
Vonnis in de zaak van:
[eiser],
wonende te [plaats],
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
(toev.nr: [nummer] d.d. 10 juni 2008),
gemachtigde: mr. M. Arends;
tegen
De Staat der Nederlanden,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie,
zetelend te 's-Gravenhage,
gedaagde,
hierna te noemen: De Staat,
gemachtigde: mr. B.I.M. Akkerman.
Procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- dagvaarding van 28 mei 2008, met 6 producties;
- conclusie van antwoord, met 12 producties;
- conclusie van repliek;
- conclusie van dupliek.
Feiten
- Bij arrest van 21 juli 2000 is [eiser] schuldig bevonden aan het plegen van een strafbaar feit en werd hem de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (TBS) opgelegd. De uitspraak is onherroepelijk geworden op 13 november 2001.
- In afwachting van een plaats in een TBS-kliniek verbleef [eiser] in verschillende penitentiaire inrichtingen. Een dergelijk verblijft wordt 'passantenverblijf' genoemd. Op 20 december 2002 werd [eiser] geplaatst in de [...kliniek].
- Bij brief van 21 augustus 2007 heeft [eiser] verzocht om een vergoeding voor onrechtmatig passantenverblijf.
Vordering
[eiser] vordert een schadevergoeding ten bedrage van € 3.525,--, vermeerderd met rente vanaf 4 september 2007 alsmede vergoeding van incassokosten ad € 535,50 en proceskosten.
Aan zijn vordering legt hij ten grondslag, kort weergegeven, dat hij schade heeft geleden ten gevolge van onrechtmatig verblijf in penitentiaire inrichtingen gedurende de periode van 13 maart 2002 tot 20 december 2002.
Verweer
De Staat voert als verweer aan, dat de termijn van plaatsing in een TBS-inrichting ingevolge artikel 12 lid 1 van Pro de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (hierna: de Beginselenwet) zes maanden bedraagt en dat deze termijn vervolgens op grond van het tweede lid van dat artikel bij beschikkingen van 14 mei, 2 augustus en 14 oktober 2002 telkens met drie maanden is verlengd. De Staat beroept zich op de formele rechtskracht van deze beslissingen.
Voorts doet De Staat een beroep op verjaring, daar [eiser] eerst op 21 augustus 2007 aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van schade.
Beoordeling
1. Van toepassing is de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro. Deze bedraagt vijf jaren, te rekenen vanaf de dag, volgend op die waarop [eiser] bekend is geworden met de schade en de daarvoor aansprakelijke (rechts)persoon.
2. [eiser] stelt dat de schade is ontstaan op 13 maart 2002, zijnde de datum, waarop het passantenverblijf volgens hem onrechtmatig werd wegens overschrijding van een termijn van vier maanden. [eiser] heeft echter geen feiten gesteld, waaruit volgt, dat de schade zich pas later zou hebben gemanifesteerd of dat te dien tijde nog niet duidelijk was dat De Staat verantwoordelijk was voor een juiste tenuitvoerlegging van de TBS-maatregel.
De omstandigheid, dat [eiser] er pas op een latere datum op is geattendeerd dat de vergoeding van schade verhaalbaar is, doet de verjaringstermijn niet ingaan op een later tijdstip.
3. De verjaring van het gestelde onrechtmatige passantenverblijf werd gestuit op 21 augustus 2007, datum waarop [eiser] schriftelijk aanspraak heeft gemaakt op een vergoeding. Dit brengt met zich, dat zijn vordering verjaard is met betrekking tot schade vóór 21 augustus 2002.
4. Het moge zo zijn, dat het passantenverblijf niet strijdig was met de bepalingen van de Beginselenwet en de op grond van die wet gegeven beschikkingen, doch [eiser] beroept zich op onrechtmatigheid ingevolge artikel 5 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voor zover sprake is van beschikkingen op grond van de Beginselenwet, die strijdig zijn met artikel 5 EVRM Pro, kan het beroep van De Staat op de formele rechtskracht van die beschikkingen niet slagen. De strijdigheid met het EVRM en de onrechtmatigheid van de betreffende handelingen wordt daarmee immers niet opgeheven.
5. De vraag of het passantenverblijf na 21 augustus 2002 strijdig is met art. 5 EVRM Pro moet bevestigend worden beantwoord. Ter zake wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad, gewezen op 21 december 2007 (LJN: BB5074), waarbij onder meer werd overwogen, dat art. 12 van Pro de Beginselenwet buiten toepassing moet worden gelaten, voor zover zij een langere termijn toestaat dan aanvaardbaar is op grond van art. 5 EVRM Pro. De betreffende overweging van de Hoge Raad is gebaseerd op uitspraken van 11 mei 2004 van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over de uitleg van artikel 5 EVRM Pro in de zaken van Brand en Morsink tegen Nederland.
6. Voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie, dat [eiser] recht heeft op een vergoeding van schade tengevolge van een onrechtmatig passantenverblijf over 4 maanden, te weten de periode van 21 augustus tot 20 december 2002.
Tegen de door [eiser] gestelde hoogte van zijn schade met betrekking tot deze periode
(3 x € 475,--) + (1 x € 600,--) = € 2.025,-- heeft De Staat geen gemotiveerd verweer gevoerd. Dit bedrag is aldus toewijsbaar, vermeerderd met rente vanaf 4 september 2007, zijnde de datum van de brief waarin De Staat, naar aanleiding van het verzoek van [eiser], het recht op een passantenvergoeding over laatstgenoemde periode erkende en een aanbod aan [eiser] heeft gedaan om tot een regeling te komen.
7. Daar eiser niet is ingegaan op het aanbod van De Staat, doch een discussie is aangegaan over vergoeding tevens voor het passantenverblijf voorafgaand aan 21 augustus 2002, zal de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke invorderingskosten worden gematigd tot nihil.
8. Na haar aanbod van 4 september 2007 heeft De Staat zijn aanbod tot het treffen van een regeling, gedaan bij brief van 4 september 2007, ingetrokken en, nu partijen elk deels in het gelijk worden gesteld, dienen de proceskosten te worden gecompenseerd.
Beslissing
De kantonrechter:
Veroordeelt De Staat tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 2.025,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2007 tot die der algehele voldoening.
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Wijst af het anders of meer gevorderde.
Compenseert de proceskosten en wel aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. K.R. van der Graaf en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2008.