ECLI:NL:RBSGR:2008:BG5808
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- M.A.C. Prins
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ongewenstverklaring en asielaanvraag met verwijzing naar artikel 3 EVRM
Verzoeker is ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege herhaald plegen van strafbare feiten en het ontbreken van rechtmatig verblijf. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen deze verklaring en beroep ingesteld, waarbij tevens een voorlopige voorziening is gevraagd.
De rechtbank overweegt dat de ongewenstverklaring rechtmatig is genomen, mede gelet op het strafrechtelijk verleden van verzoeker en het beleid dat herhaald plegen van strafbare feiten tot ongewenstverklaring leidt. Verzoeker heeft onvoldoende medische gegevens overgelegd die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen. Ook is het asielrelaas van verzoeker over de situatie in Georgië en de medische omstandigheden niet geloofwaardig bevonden.
Verder is vastgesteld dat verzoeker geen verschoonbare redenen heeft gegeven voor het ontbreken van reisdocumenten en authenticiteit van medische verklaringen niet is aangetoond. De rechtbank volgt de jurisprudentie dat zolang de ongewenstverklaring voortduurt, geen verblijfsvergunning kan worden verleend. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.