ECLI:NL:RBSGR:2008:BH3506
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing opheffing ongewenstverklaring wegens onvoldoende hoorplicht en familieleven
Eiser, ongewenst verklaard na een veroordeling voor een opiumdelict, verzocht om opheffing van de ongewenstverklaring voordat de verplichte termijn van tien jaar verblijf buiten Nederland was verstreken. Verweerder wees dit verzoek af omdat eiser nog niet aan de termijn voldeed en geen bijzondere omstandigheden had aangetoond.
Eiser stelde dat hem onjuist was meegedeeld dat hij na vijf jaar een verzoek kon indienen en dat de voortdurende inbreuk op zijn familieleven, waaronder het niet horen van zijn echtgenote en dochter, tot eerdere opheffing zou moeten leiden. De rechtbank oordeelde dat verweerder ten onrechte niet de echtgenote en dochter als belanghebbenden had gehoord, wat in strijd is met de hoorplicht volgens artikel 7:2 Awb Pro.
Desondanks vond de rechtbank dat de aangevoerde omstandigheden niet nieuw of bijzonder waren en dat eiser bij de oorspronkelijke ongewenstverklaring op de gevolgen had moeten wijzen. Omdat de termijn van tien jaar nog niet was verstreken, mocht verweerder het verzoek afwijzen. De rechtbank vernietigde het besluit, verklaarde het beroep gegrond, maar hield de rechtsgevolgen in stand en veroordeelde verweerder in de proceskosten.
Uitkomst: Beroep gegrond wegens schending hoorplicht, maar rechtsgevolgen van afwijzing opheffing ongewenstverklaring blijven in stand.