Verzoekers hebben primair verzocht om erkenning van een buitenlands adoptievonnis (kafala) uit Marokko, waarbij de zorg voor de minderjarige aan hen werd toegewezen. De rechtbank oordeelde dat de kafala in Marokkaans recht geen adoptie is en geen familierechtelijke gevolgen heeft, waardoor erkenning van het buitenlandse vonnis niet mogelijk is.
Subsidiair verzochten verzoekers adoptie uit te spreken volgens Nederlands recht. De rechtbank stelde vast dat verzoekers aan de wettelijke vereisten voldeden, waaronder langdurige verzorging en opvoeding van de minderjarige, en dat de toestemming voor vertrek uit Marokko was gegeven. Ook was aannemelijk dat de biologische ouders geen gezag meer hadden.
Gelet op deze feiten en de gegeven toestemming van het Ministerie van Justitie, wees de rechtbank het adoptieverzoek toe. De minderjarige komt hierdoor in familierechtelijke relatie tot verzoekers te staan en krijgt hun geslachtsnaam.