ECLI:NL:RBSGR:2009:BH0308
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voortgezet verblijf na beëindiging huwelijk wegens ontbreken bijzondere humanitaire omstandigheden
Verzoeker, van Guyaanse nationaliteit, had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'verblijf bij echtgenote'. Na beëindiging van het huwelijk in 2006 werd de vergunning ingetrokken. Verzoeker vroeg vervolgens om voortgezet verblijf, maar werd afgewezen omdat hij niet voldeed aan de vereiste driejarige verblijfsduur op basis van de relatie.
Verzoeker voerde aan dat hij mishandeld was door zijn ex-echtgenote en dat hij daarom een verblijfsvergunning op grond van bijzondere individuele omstandigheden (artikel 3.52 Vb) zou moeten krijgen. Hij stelde ook dat hij al lange tijd in Nederland woont en werkt en geen banden meer heeft met zijn land van herkomst.
De rechtbank stelde vast dat er geen proces-verbaal van aangifte was overgelegd en dat de verklaringen van verzoeker tegenstrijdig waren, onder meer omdat hij had verklaard dat het huwelijk een schijnhuwelijk was om een verblijfsvergunning te verkrijgen. Bovendien had verzoeker niet binnen de gestelde termijn een proces-verbaal overgelegd. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het verzoek had afgewezen en dat het beroep ongegrond was.
De voorzieningenrechter wees ook het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat de hoofdzaak direct kon worden beslist. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.