ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3173
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Heffingsrente niet verschuldigd bij vertraging voorlopige aanslag door belastingdienst
Eiser, die een speelgoedhandel dreef en onroerende zaken verhuurde, diende voor het jaar 2005 een aangifte inkomstenbelasting in. De Belastingdienst legde vier voorlopige aanslagen op, waarvan de laatste pas op 31 juli 2007 werd opgelegd, ruim meer dan een jaar na de aangifte van 17 juli 2006. Verweerder bracht over deze laatste aanslag heffingsrente in rekening, welke eiser betwistte.
De rechtbank stelde vast dat de Belastingdienst de voorlopige aanslag met aanzienlijke vertraging oplegde, mogelijk door problemen in de geautomatiseerde systemen. Volgens het Besluit CPP2001/2110M dient in een dergelijk geval, waarin een duidelijk en volledig verzoek om een voorlopige aanslag is gedaan, geen heffingsrente te worden berekend over de periode vanaf drie maanden na indiening van de aangifte.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsrente over de periode van 17 oktober 2006 tot 31 juli 2007 niet in rekening gebracht mag worden. Het beroep van eiser werd gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de heffingsrente over de periode vanaf drie maanden na de aangifte tot de oplegging van de voorlopige aanslag niet in rekening mag worden gebracht en verklaart het beroep gegrond.