ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3863

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
13 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/45518
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbArt. 8:70 AwbArt. 59 Vw 2000Art. 94 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing bewaring wegens schending recht op rechtsbijstand bij vreemdeling

Eiser, een vreemdeling van Algerijnse nationaliteit, werd op 30 december 2008 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Tijdens het strafrechtelijk voortraject en het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling gaf eiser meerdere malen aan zijn voorkeursadvocaat, mr. Jansen, te willen raadplegen. Mr. Jansen was per fax op de hoogte gesteld van de inbewaringstelling, maar ondanks het beleid om twee uur te wachten met het horen van eiser, werd direct zonder de aanwezigheid van mr. Jansen met het gehoor begonnen.

De rechtbank acht de verklaringen van eiser, gesteund door de omstandigheden en het proces-verbaal, betrouwbaarder dan het proces-verbaal dat stelde dat eiser geen behoefte had aan zijn advocaat tijdens het gehoor. Dit procedurele gebrek wordt als ernstig beoordeeld en leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring, temeer daar de belangen van eiser zwaarder wegen dan die van de overheid.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van 13 januari 2009 en kent eiser een schadevergoeding toe van €675,-- voor de onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens wordt de Staat veroordeeld in de proceskosten van €644,--. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De bewaring wordt opgeheven wegens schending van het recht op rechtsbijstand en eiser krijgt een schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken
Proces-verbaal van de zitting van 13 januari 2009 inhoudende mondelinge
Uitspraak
op grond van artikel 8:67 j? 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 94 en Pro 106 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 08/45518
V-nr.: [...]
inzake:
[eiser], van (gestelde) Algerijnse nationaliteit,
gemachtigde: mr. G.A. Jansen, advocaat te Amsterdam,
tegen:
de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. E. Groenendijk, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
Eiser is ter zitting in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig F. Lahraoui, als tolk in de Arabische taal.
Op 30 december 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.
Het onderhavige beroep betreft een eerste beroep. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
MOTIVERING
Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan, indien het belang van de openbare orde dat vordert, met het oog op de uitzetting, in bewaring worden gesteld de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft.
De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat zijn recht op rechtsbijstand is geschonden. Gebleken is dat eiser in de gehoren tijdens het strafrechtelijk voortraject reeds heeft aangegeven dat hij een voorkeursadvocaat heeft die hij wilde raadplegen. Dit is in ieder geval vermeld in het proces-verbaal van het gehoor voor de inverzekeringstelling. Eiser heeft ter zitting onbestreden gesteld dat hij gedurende drie dagen, iedere dag, heeft aangegeven dat hij advocaat Jansen wilde spreken, en dat hij dit ook heeft gezegd bij het gehoor voor de inbewaringstelling. Blijkens het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is mr. Jansen voor de aanvang van het gehoor per fax ook op de hoogte gesteld van eisers inbewaringstelling.
Dat, zoals dit proces-verbaal voorts vermeldt, vervolgens door eiser gezegd zou zijn dat hij geen behoefte had aan aanwezigheid van zijn advocaat tijdens het gehoor en dat het voldoende zou zijn als zijn advocaat hem in de verdere procedure zou bijstaan, acht de rechtbank, gelet op hiervoor genoemde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, niet aannemelijk. Die genoemde omstandigheden duiden er eerder op dat eiser wel degelijk heeft aangegeven dat hij zijn advocaat bij het gehoor aanwezig wilde laten zijn dan dat hij dat niet zou hebben gezegd. De rechtbank is van oordeel dat, ondanks de sterke bewijskracht die normaliter toekomt aan een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, in dit geval sterkere bewijskracht toekomt aan eisers verklaringen, nu die verklaringen worden gesteund door de genoemde omstandigheden waaronder met name de vermelding in het proces-verbaal van gehoor voor de inbewaringstelling dat mr. Jansen wel per fax op de hoogte is gesteld van de op handen zijnde inbewaringstelling.
Vervolgens is niet, zoals verweerders beleid voorschrijft, twee uur gewacht met het horen van eiser maar is direct met het gehoor begonnen zonder aanwezigheid van mr. Jansen. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit een procedureel gebrek op van ernstige aard. Dit leidt eerst tot onrechtmatigheid van de maatregel indien de belangen van de bewaring niet in redelijke verhouding staan tot het door het gebrek geschonden belang. In het onderhavige geval heeft verweerder onder meer aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf en gebruik heeft gemaakt van aliassen. Daartegenover staat dat eiser niet ongewenst is verklaard en er geen sprake is van een staatsveiligheidsbelang. Tevens is er van de kant van eiser sprake van een medisch belang. De ernst van het gebrek is niet onaanzienlijk te achten. Zeker in situaties van detentie is het recht op rechtsbijstand een belangrijke waarborg. De genoemde belangen over en weer in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen. Naar het oordeel van de rechtbank is de bewaring van aanvang af onrechtmatig geweest. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen, ingaande 13 januari 2009.
De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van Pro de Vw 2000 toe te kennen, maar ziet aanleiding de hoogte van de schadevergoeding te matigen tot 50 %, en wel tot een bedrag van € 52,50-- per dag dat eiser op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en € 40,-- per dag dat eiser in het Huis van Bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal € 675,--. (6 x € 52,50 en 9 x € 40,--).
Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).
BESLISSING
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt dat de bewaring ingaande 13 januari 2009 wordt opgeheven, veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 675,-- (zegge: zeshonderd en vijfenzeventig euro), te betalen aan eiser; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderd vier en veertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
M.M.J. Mooijer mr. H.J.M. Baldinger
griffier voorzitter
afschrift verzonden op: 15 januari 2009
Conc.:
Coll.:
D: B
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.