ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3930

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
24 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/753520-08
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Poustochkine
  • Jacobs
  • Van Seventer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens ontbreken wettig en overtuigend bewijs beroving

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op 24 februari 2009 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen en medeplichtigheid aan een beroving met geweld. De officier van justitie had een gevangenisstraf geëist, maar de rechtbank vond op basis van het onderzoek ter terechtzitting geen wettig en overtuigend bewijs dat verdachte betrokken was bij de beroving.

Tijdens de zittingen bleek dat verdachte zich op enige afstand bevond van de daders die onder bedreiging van een mes het slachtoffer beroofden. Er was geen bewijs dat verdachte vooraf op de hoogte was van de beroving of dat er sprake was van nauwe en bewuste samenwerking met de daders. Ook het niet distantiëren van de verdachte werd niet als medeplegen aangemerkt, omdat de beroving zeer kort duurde en verdachte niet kon weggaan.

Ten aanzien van de subsidiaire tenlastelegging van medeplichtigheid oordeelde de rechtbank dat niet is gebleken dat verdachte opzet had om hulp te verlenen bij de beroving. Verdachte had volgens de rechtbank geen andere motieven dan het aangaan van een gesprek met het slachtoffer. Daarom werd verdachte vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten en werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor medeplegen en medeplichtigheid aan beroving.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer 09/753520-08
Datum uitspraak: 24 februari 2009
(Vonnis)
De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte 3],
geboren te [plaats] op [datum] 1987,
adres: [adres].
De terechtzitting.
Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 3 september 2008, 18 november 2008 en 10 februari 2009.
De verdachte, bijgestaan door haar raadsman mr J.H. van Dijk, advocaat te Amsterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.
De officier van justitie mr Joesoef Djamil heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het haar bij gewijzigde dagvaarding primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt behandeling bij de Willem Schipper Stichting of het Centrum voor Autisme, alsmede een werkstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis.
De tenlastelegging.
Aan de verdachte is ten laste gelegd - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging tenlastelegging, gemerkt A1.
Vrijspraak.
De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij gewijzigde dagvaarding primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat zij daarvan dient te worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte zich op enige afstand heeft bevonden van twee anderen die onder bedreiging van een mes met geweld iemand van zijn schoudertas hebben beroofd. Niet is gebleken dat verdachte van tevoren op de hoogte was van het feit dat er een beroving zou plaatsvinden.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte geen medepleger is van deze beroving omdat uit het onderzoek ter terechtzitting niet blijkt dat er tussen de daders en verdachte sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking. Dat verdachte zich niet heeft gedistantieerd van de beroving maakt naar oordeel van de rechtbank evenmin dat zij als medepleger kan worden aangemerkt, immers heeft de beroving in zulk een kort moment plaatsgevonden dat verdachte niet weg kon.
Ten aanzien van de subsidiair telastgelegde medeplichtigheid aan de beroving overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat verdachte opzet had op het verlenen van hulp bij de beroving en evenmin op de beroving zelf. Immers is niet gebleken dat verdachte andere motieven had om met de twee daders van de beroving naar het slachtoffer te gaan, dan om een gesprek met hem aan te gaan.
Beslissing.
De rechtbank,
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
in verzekering gesteld op: 26 mei 2008,
in voorlopige hechtenis gesteld op: 29 mei 2008,
welke voorlopige hechtenis werd geschorst met ingang van: 23 oktober 2008;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mrs Poustochkine, voorzitter,
Jacobs en Van Seventer, rechters,
in tegenwoordigheid van Van Bezooijen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 februari 2009.