ECLI:NL:RBSGR:2009:BH4068
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende onderbouwing artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Eiser, een Afghaanse asielzoeker die sinds 1996 in Nederland verblijft, kreeg zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in 1996 toegekend. Verweerder trok deze vergunning in 2008 in op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, omdat eiser als officier bij de Afghaanse veiligheidsdiensten KhAD/WAD tussen 1978 en 1992 zou hebben deelgenomen aan ernstige mensenrechtenschendingen zoals foltering en executies.
Eiser betwistte deze beschuldigingen en verwees naar recente rapporten en een notitie van de UNHCR uit mei 2008 die de betrouwbaarheid van het ambtsbericht van 2000, waarop verweerder zich baseerde, ter discussie stellen. De rechtbank oordeelde dat de UNHCR-notitie voldoende concrete aanknopingspunten bevat om aan de juistheid van het ambtsbericht te twijfelen en dat nader onderzoek vereist is.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van de bevindingen. Tevens werden de proceskosten aan verweerder opgelegd. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige toetsing van uitsluitingsgronden en het gewicht van recente, gezaghebbende bronnen zoals de UNHCR-notitie.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd.