ECLI:NL:RBSGR:2009:BH5445
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.E.C. van Rijckevorsel-Besier
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning asiel minderjarige nareiziger ondanks gezinsband
Verzoeker, een minderjarige van Albanese nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel als nareiziger van zijn vader die in Nederland een asielvergunning heeft. De aanvraag werd afgewezen omdat verzoeker niet binnen de gestelde termijn van drie maanden na verlening van de vergunning van zijn vader Nederland was binnengekomen, het zogenaamde nareiscriterium.
Verzoeker voerde aan dat het nareiscriterium in strijd is met de artikelen 20, 23 en 30 van de EU Definitierichtlijn, die het belang van het kind en het in stand houden van het gezin benadrukken. De rechtbank oordeelde echter dat deze artikelen geen recht op een verblijfsvergunning verschaffen en dat het aan de lidstaat is om via nationale procedures te bepalen of en welke vergunning wordt verleend.
De rechtbank overwoog dat de eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit bevestigt en dat het nareiscriterium niet in strijd is met de richtlijn. Ook het beroep op artikel 30 van Pro de richtlijn en artikel 8 EVRM Pro werd verworpen omdat deze niet van toepassing zijn in de huidige situatie.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Wel werd een voorlopige voorziening getroffen waardoor uitzetting van verzoeker wordt opgeschort totdat verweerder ambtshalve beslist over een mogelijke reguliere verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker.
Uitkomst: Het beroep van de minderjarige nareiziger tegen de weigering van een verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard, met een voorlopige voorziening tegen uitzetting.