ECLI:NL:RBSGR:2009:BH8285
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vergoeding onderwijs- en verzorgingskosten minderjarige na echtscheiding
Partijen zijn ex-echtgenoten met een minderjarig kind waarvan de hoofdverblijfplaats bij de vrouw is vastgesteld. De man verzoekt de rechtbank om de vrouw te veroordelen tot betaling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en onderwijs van het kind, deels met terugwerkende kracht, op grond van het echtscheidingsconvenant en artikel 1:392 BW Pro.
De rechtbank oordeelt dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek, ondanks het feit dat de hoofdverblijfplaats van het kind bij de vrouw is. De rechtbank past het Haviltex-criterium toe om het convenant te interpreteren en concludeert dat de vrouw gehouden is 50% van de daadwerkelijk gemaakte onderwijskosten te vergoeden, ongeacht de hoofdverblijfplaats.
De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van internaatkosten af omdat deze voornamelijk huisvestingskosten betreffen en onvoldoende is aangetoond dat onderwijskosten daarin zijn inbegrepen. De rechtbank wijst wel toe de vergoeding van huiswerkbegeleiding, boeken en een studiereis, omdat deze kosten direct aan onderwijs gerelateerd zijn en door de man zijn aangetoond.
Het verzoek tot vergoeding van kosten van levensonderhoud zoals medische en sportkosten wordt afgewezen omdat het wettelijke systeem geen verhaalsrecht tussen ouders voor dergelijke kosten toestaat. Ook het verzoek tot betaling van achterstallige alimentatie wordt afgewezen omdat dit als wijzigingsverzoek had moeten worden ingediend.
De rechtbank veroordeelt de vrouw tot betaling van € 8.541,31 aan de man en draagt ieder de eigen proceskosten.
Uitkomst: De vrouw wordt veroordeeld tot betaling van € 8.541,31 aan de man voor onderwijskosten, het verzoek tot vergoeding van kosten van levensonderhoud wordt afgewezen.