ECLI:NL:RBSGR:2009:BH8954
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongewenstverklaring op grond van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag wegens corruptie en verduistering
Eiseres, een Chinese nationaliteit houdende vrouw, is ongewenst verklaard op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, vanwege ernstige verdenkingen van verduistering en het aannemen van steekpenningen in China. Dit besluit is gebaseerd op artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, dat personen uitsluit die ernstige niet-politieke misdrijven hebben gepleegd.
De rechtbank oordeelt dat er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan deze delicten, mede op basis van een individueel ambtsbericht, krantenartikelen en het algemeen ambtsbericht over corruptie in China. Hoewel de rechtbank terughoudend is met het blind vertrouwen op informatie van Chinese autoriteiten vanwege mensenrechtenschendingen, acht zij de samenhang van de stukken voldoende om de verdenkingen te ondersteunen.
De delicten worden als ernstige niet-politieke misdrijven aangemerkt, gelet op de aard, omvang, recidive en internationale erkenning van corruptie als ernstig misdrijf. De rechtbank stelt dat de toepassing van artikel 1(F) de ongewenstverklaring rechtvaardigt in het belang van de internationale betrekkingen en openbare orde.
Echter, de rechtbank stelt vast dat verweerder geen adequate bredere proportionaliteitsafweging heeft gemaakt bij het opleggen van de ongewenstverklaring, wat leidt tot vernietiging van het besluit wegens strijd met de Awb. Desondanks laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat de belangen van verweerder zwaarder wegen dan die van eiseres.
Ten slotte wijst de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening af en veroordeelt verweerder in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.