ECLI:NL:RBSGR:2009:BI0368

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
6 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/2205
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L. de Loor-Alwin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:101 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 8:67 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Maandelijkse betalingen ex-echtgenoot zijn rechtens afdwingbare uitkeringen voor levensonderhoud

Eiseres betwistte de aanslag inkomstenbelasting over 2004 waarin een bedrag van €31.202 als periodieke uitkering werd meegerekend. De kern van het geschil was of de maandelijkse betalingen van €3.300 door de ex-echtgenoot vrijwillig waren of voortvloeiden uit een familierechtelijke verplichting, en of deze betalingen voorschotten waren op de verdeling van huwelijkse voorwaarden.

De rechtbank stelde vast dat eiseres en haar ex-echtgenoot duurzaam gescheiden leefden en dat eiseres niet in haar levensonderhoud kon voorzien. Uit stukken en verklaringen bleek dat de betalingen rechtens afdwingbare afspraken waren ter bekostiging van het levensonderhoud, ondanks de bedoeling van partijen deze niet als inkomen te beschouwen.

De rechtbank verwierp het verweer dat sprake was van voorschotten op de verdeling, omdat eiseres dit niet aannemelijk had gemaakt en er geen overeenstemming bestond over verrekening. Het fiscaalrechtelijke karakter van de betalingen wordt beoordeeld op het moment van aanvang van de betaling.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde dat de betalingen als periodieke uitkeringen in de zin van artikel 3:101 van Pro de Wet inkomstenbelasting 2001 moeten worden beschouwd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de maandelijkse betalingen als periodieke uitkeringen moeten worden beschouwd.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 08/2205
Uitspraakdatum: 6 maart 2009
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[X], wonende te [Z], eiseres,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 13 februari 2008 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres voor het jaar 2004 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.082 (aanslagnummer [nummer]).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2009. Namens eiseres is daar verschenen [A] en namens verweerder is verschenen [B].
1 Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2 Gronden
2.1.1. Het geschil betreft de vraag of verweerder terecht een bedrag van € 31.202 als aangewezen periodieke uitkering in de zin van artikel 3:101 van Pro de Wet inkombelasting 2001 (hierna: de Wet) tot het belastbare inkomen uit werk en woning heeft gerekend.
2.1.2. Meer in het bijzonder is in geschil of de maandelijkse betalingen van € 3.300 door de ex-echtgenoot (hierna: de bijdragen) vrijwillig zijn gedaan (zoals eiseres stelt) of dat zij berusten op een uit het familierecht voortvloeiende verplichting (zoals verweerder stelt), en voorts of de bijdragen een voorschot vormen op hetgeen eiseres op grond van de huwelijkse voorwaarden ter zake van de echtscheiding nog van de ex-echtgenoot zal verkrijgen (zoals eiseres stelt) of dat sprake is van een periodieke uitkering (zoals verweerder stelt).
2.2. In artikel 3:101, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet zijn als aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen aangemerkt de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij de uitkeringen of verstrekkingen worden ontvangen van bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn.
2.3.1. Vaststaat dat eiseres en de ex-echtgenoot tussen medio december 2001 en 7 oktober 2004 - de datum waarop het huwelijk is ontbonden - duurzaam gescheiden leefden en dat eiseres in die periode niet zelf in haar levensonderhoud kon voorzien.
2.3.2. Zowel in de brief van de advocaat van eiseres van 26 april 2002 (bijlage 2 bij het beroepschrift) als in het vonnis in kort geding van 25 februari 2004 (bijlage 11 bij het beroepschrift) worden de bijdragen aangeduid als zijnde tussen eiseres en haar ex-echtgenoot afgesproken en als bijdrage in de kosten van de huishouding.
2.3.3. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting verklaard dat eiseres geld tekort kwam om in haar levensonderhoud te voorzien en dit geld dus nodig had.
2.3.4. Op grond van de vorenstaande omstandigheden acht de rechtbank aannemelijk dat de bijdragen niet vrijwillig zijn gedaan, maar dat zij voortvloeiden uit een tussen eiseres en de ex-echtgenoot gemaakte rechtens afdwingbare afspraak, en tevens dat de bijdragen strekten ter bekostiging van het levensonderhoud van eiseres. Aan dit oordeel doet niet af dat naar de bedoeling van eiseres en de ex-echtgenoot de bijdragen niet zouden worden opgenomen in hun aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en dat zij de bedoeling hadden de bijdragen niet als inkomst respectievelijk aftrekpost in het belastbare inkomen uit werk en woning te begrijpen. Een afspraak of bedoeling van die strekking kan immers de dwingendrechtelijke toepassing van de Wet niet opzij zetten.
2.4. Een redelijke bewijslastverdeling brengt mee dat eiseres haar - door verweerder betwiste - stelling dat de bijdragen voorschotten betroffen die in het kader van de echtscheiding tussen eiseres en de ex-echtgenoot zijn of zullen worden verrekend, aannemelijk maakt. De rechtbank acht eiseres niet geslaagd in dat bewijs. Uit de door eiseres in het geding gebrachte stukken noch anderszins blijkt dat zij en de ex-echtgenoot een dergelijk voorschot of verrekening zijn overeengekomen, terwijl de onder 3.2 genoemde stukken veeleer op het tegendeel wijzen. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting niet bestreden het door de rechtbank geuite vermoeden dat de nog lopende civiele procedure(s) tussen eiseres en de ex-echtgenoot mede betrekking hebben op de vraag of en zo ja in hoeverre de bijdragen dienen te worden verrekend. Tussen eiseres en de ex-echtgenoot bestaat daaromtrent dus kennelijk geen overeenstemming. Bovendien brengt de enkele omstandigheid dat (achteraf) een verrekening plaatsvindt niet zonder mee dat de bijdragen niet kunnen worden aangemerkt als een periodieke uitkering, omdat het fiscaalrechtelijke karakter van de bijdragen dient te worden beoordeeld naar het tijdstip waarop de betaling daarvan aanvangt.
2.5. Gelet op het vorenstaande moeten de onder 2.1.2 vermelde vraagpunten ten nadele van eiseres worden beantwoord. Nu overigens niet in geschil is dat aan de voorwaarden van artikel 3:101, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet is voldaan, is het beroep ongegrond.
2.6. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 6 maart 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. L. de Loor-Alwin, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Holdert, griffier.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.