ECLI:NL:RBSGR:2009:BI1958
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Punt
- De Boer
- Bom
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens onrechtmatige daad op grond van Syrisch recht tegen Shell
Eisers [eiser A.] en [eiser B.] vorderden schadevergoeding van Shell wegens onrechtmatige daad, stellende dat Shell via haar joint venture [C.] onrechtmatig een civiele procedure tegen hen was gestart, wat leidde tot beslaglegging en reputatieschade. Zij baseerden hun vordering op Syrisch recht en stelden dat Shell als aandeelhouder en via lastgeving aansprakelijk was.
Shell betwistte de aansprakelijkheid en voerde aan dat de civiele procedure niet door haar was geïnitieerd, dat [C.] zelfstandig handelde, en dat Shell onvoldoende invloed had om de procedure te stoppen. Tevens stelde Shell dat de vordering verjaard was en dat er onvoldoende schade was aangetoond.
De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd was en dat het geschil integraal naar Syrisch recht moest worden beoordeeld. Volgens Syrisch recht was er geen sprake van aansprakelijkheid van Shell, omdat [C.] buiten lastgeving handelde en Shell geen onrechtmatige nalatigheid had gepleegd. Ook ontbrak het causaal verband tussen handelen van Shell of haar werknemer [D.] en de schade.
De vordering werd daarom afgewezen en eisers werden veroordeeld in de proceskosten. De beslaglegging op de activa van eisers bleef voortduren, maar de rechtbank achtte dit niet toerekenbaar aan Shell.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt eisers in de proceskosten.