ECLI:NL:RBSGR:2009:BI1994

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
27 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
325161 - FA RK 08-9470
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Verordening (EG) nr. 2201/2003Art. 2 Verordening (EG) nr. 2201/2003Art. 8 lid 1 Verordening (EG) nr. 2201/2003Art. 9 Verordening (EG) nr. 2201/2003Art. 10 Verordening (EG) nr. 2201/2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring Nederlandse rechter bij verzoek vervangende toestemming reisdocument minderjarigen

De vrouw, woonachtig in Nederland en moeder van twee minderjarige kinderen met de Nederlandse en Somalische nationaliteit, verzocht de rechtbank om vervangende toestemming te verlenen voor het verkrijgen van reisdocumenten voor haar kinderen. Dit verzoek kwam voort uit het feit dat de verblijfplaats van de vader onbekend was, waardoor zijn toestemming niet kon worden verkregen.

De rechtbank onderzocht haar bevoegdheid op grond van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en erkenning van beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. Gelet op het feit dat de kinderen hun gewone verblijfplaats hadden in Duitsland, wees artikel 8 lid 1 van Pro de Verordening de Duitse rechter aan als bevoegd. Er waren geen uitzonderingen van toepassing zoals behoud van bevoegdheid of kinderontvoering.

De rechtbank concludeerde dat het verzoek binnen het toepassingsgebied van de Verordening valt en dat de Nederlandse rechter daarom onbevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. De rechtbank wees het verzoek af wegens onbevoegdheid en verwees impliciet naar de bevoegde Duitse rechter.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot vervangende toestemming voor het verkrijgen van reisdocumenten voor minderjarige kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector familie- en jeugdrecht
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 08-9470
Zaaknummer: 325161
Datum beschikking: 27 februari 2009
Beschikking ex artikel 34 Paspoortwet Pro.
Beschikking op het op 24 november 2008 ingekomen verzoek van:
[vrouw],
de vrouw,
wonende te [plaats],
advocaat: mr. U.W.G. Thöle te 's-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[man],
de man,
met een onbekende woon- of verblijfplaats,
advocaat: mr. -
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief d.d. 24 december 2008 van de zijde van de vrouw met bijlagen.
Feiten
De vrouw heeft de Somalische nationaliteit is woonachtig te [plaats].
De minderjarigen hebben de Nederlandse en de Somalische nationaliteit en zijn woonachtig bij de vrouw.
De man heeft de Nederlandse en een onbekende nationaliteit en heeft [plaats] met onbekende bestemming verlaten.
Beoordeling
De vrouw verzoekt de rechtbank vervangende toestemming te verlenen voor het verkrijgen van een reisdocument zoals bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Paspoortwet ten behoeve van de minderjarigen [A], geboren op [datum] 2000 te [plaats], en [B], geboren op [datum] 2002 te [plaats]. De vrouw voert ter onderbouwing van het verzoek aan dat zij onbekend is met de verblijfplaats van de man en dat het voor derhalve niet mogelijk is de vereiste toestemming te verkrijgen voor de aanvraag van nieuwe reisdocumenten ten behoeve van de minderjarigen.
Rechtsmacht
De vrouw heeft gesteld dat de Nederlandse rechter bevoegd is van het verzoek kennis te nemen en voorts dat het verzoek niet valt onder de reikwijdte van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (hierna: "de Verordening").
De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. .
Volgens artikel 1, eerste lid, onder b, is de Verordening, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid. Overeenkomstig artikel 2, aanhef en onder 7 van de Verordening omvat de ouderlijke verantwoordelijkheid alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind, onder meer het gezagsrecht en het omgangsrecht. Blijkens de vijfde overweging van de considerans is, teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen, de Verordening van toepassing op alle beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, inclusief maatregelen ter bescherming van het kind, los van ieder verband met een procedure in huwelijkszaken, zodat moet worden uitgegaan van een ruim toepassingsbereik.
Het verzoek tot vervangende toestemming valt naar het oordeel van de rechtbank binnen het temporele (art. 64 lid Pro 1), formele (art. 8 lid Pro 1) en materiële toepassingsgebied van de Verordening. Uit de wetsgeschiedenis (MvT, TK 1987-1988, 20 393) blijkt immers dat de vervangende toestemming van de rechter ten behoeve van de verstrekking van Nederlandse reisdocumenten als bedoeld in artikel 34 van Pro de Paspoortwet invulling geeft aan de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid of die van eventuele gezagsdragers, waarbij de rechter het belang van het kind om vrij te kunnen reizen mede in aanmerking zal nemen. Deze regeling knoopt nadrukkelijk aan bij de regeling inzake geschillen tussen ouders over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Voorts is in de Paspoortwet niet uitdrukkelijk bepaald dat slechts de Nederlandse rechter bevoegd is om vervangende toestemming te verlenen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat vervangende rechterlijke toestemming in de zin van artikel 34 lid 2 Paspoortwet Pro is bedoeld als maatregel betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid en niet is bedoeld als behorend tot de verstrekking van Nederlandse reisdocumenten als zodanig of als een nadere bevoegdheid betreffende de staat van personen, waarmee het verzoek tot vervangende toestemming onder het bereik van de Verordening valt. Het feit dat de Paspoortwet een publiekrechtelijke regeling is, maakt dit niet anders (zie ook Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 27 november 2007, C-435/06).
Nu het verzoek van de vrouw onder het toepassingsbereik van de Verordening valt, dient aan de hand van de Verordening te worden bepaald of de Nederlandse rechter bevoegd is van de verzoeken kennis te nemen. Daartoe zijn de artikelen 8 en verder van de Verordening van belang.
Nu de kinderen ten tijde van het aanhangig maken van de zaak hun gewone verblijfplaats hadden in Duitsland, wijst art. 8 lid 1 van Pro de Verordening de rechter in Duitsland - en derhalve niet de Nederlandse rechter - aan als bevoegde rechter om van de onderhavige verzoeken kennis te nemen. Het bepaalde in de artikelen 9, 10 en 12 van de Verordening maakt dit niet anders. Niet gebleken is dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 9 van Pro de Verordening (behoud van de bevoegdheid door de rechter van de vorige gewone verblijfplaats van het kind). Evenmin doet zich een geval als bedoeld in artikel 10 van Pro de Verordening (kinderontvoering) voor.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren om van het verzoek kennis te nemen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart zich onbevoegd.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.W. de Wit, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.A.C. Herweijer als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 februari 2009.