ECLI:NL:RBSGR:2009:BI6134
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging ongewenstverklaring wegens onvoldoende bewijs verblijfsgat en verbod uitzetting
Eiser is door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ongewenst verklaard op grond van vermeend ontbreken van rechtmatig verblijf tussen 21 juli 1994 en 13 augustus 1998. De rechtbank stelt vast dat de IND niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in die periode geen verblijfsvergunning had, mede vanwege onbetrouwbaarheid van het registratiesysteem en het ontbreken van dossiergegevens.
De rechtbank weegt mee dat broers van eiser wel onafgebroken rechtmatig verblijf hadden en dat het beleid destijds inhield dat oude verblijfsdocumenten moesten worden ingeleverd, wat het ontbreken van papieren verklaart. De IND heeft onvoldoende bewijs geleverd en het besluit is daarom ondeugdelijk gemotiveerd en in strijd met de Algemene wet bestuursrecht.
Het beroep van eiser wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de IND opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt een voorlopige voorziening getroffen die uitzetting van eiser verbiedt totdat een nieuw besluit is genomen. Andere beroepen worden niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder wordt veroordeeld in proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het besluit tot ongewenstverklaring wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van verblijfsgat en uitzetting wordt verboden totdat een nieuw besluit is genomen.