ECLI:NL:RBSGR:2009:BI8349

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
8 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07/8629 ZW en 07/8630 ZW
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervallenverklaring uitspraak wegens schending hoor en wederhoor in bestuursrechtelijke procedure

Opposant heeft verzet ingesteld tegen een uitspraak waarbij zijn beroepen tegen het uitblijven van een besluit van het UWV kennelijk ongegrond werden verklaard. De rechtbank stelde vast dat het beroep buiten zitting werd behandeld zonder opposant de mogelijkheid te geven te reageren op het verweerschrift, wat in strijd is met het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor.

De rechtbank oordeelde dat de stukken die de reactie van verweerder bevatten pas na de uitspraak aan opposant werden toegezonden, waardoor opposant zijn argumenten niet kon voorleggen. Dit leidde tot de conclusie dat het beroep ten onrechte buiten zitting is afgedaan en het verzet gegrond had moeten worden verklaard.

De rechtbank verklaart daarom de uitspraak vervallen en verwijst de zaak naar de meervoudige kamer voor een nieuwe beoordeling in de stand zoals die was vóór de uitspraak in verzet. Tevens merkt de rechtbank op dat de oorspronkelijke verzetrechter niet langer werkzaam is, waardoor een andere kamer de zaak moet behandelen.

Uitkomst: De uitspraak van 15 juli 2008 wordt vervallen verklaard en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Eerste afdeling, enkelvoudige kamer
Reg.nr.: AWB 07/8629 ZW en 07/8630 ZW
VERVALLENVERKLARING van de UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 15 juli 2008
Op het verzet van
[opposant], wonende te [plaats],
Ontstaan en loop van het geding
Bij brief van 28 april 2008 heeft opposant verzet gedaan tegen de uitspraak van 10 april 2008, waarbij de beroepen van opposant tegen het uitblijven van een besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) kennelijk ongegrond werden verklaard.
Bij uitspraak van 15 juli 2008 heeft de rechtbank het verzet ongegrond verklaard. Bij brief van 25 februari 2009 heeft opposant de rechtbank verzocht de uitspraak van 15 juli 2008 vervallen te verklaren wegens schending van het beginsel van hoor en wederhoor.
Bij brief van 13 mei 2009 is de Raad van bestuur van het werknemersinstituut (UWV), de door opposant in het geding betrokken partij, in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten over het verzoek om vervallenverklaring. Bij brief van 15 mei 2009 heeft het UWV bericht geen aanleiding te zien inhoudelijk te reageren.
Motivering
Kern van het bezwaar van opposant is dat de rechtbank door op 10 april 2008 het beroep buiten zitting ongegrond te verklaren én zonder gelegenheid te geven voor een reactie op het verweerschrift, heeft gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor.
Vastgesteld wordt dat de rechtbank naar aanleiding van de ingediende beroepschriften verweerder om een reactie heeft gevraagd aangaande de ingestelde beroepen en deze ook heeft ontvangen. Na ontvangst hiervan heeft de rechtbank op 10 april 2008 uitspraak gedaan, zonder de reactie van verweerder door te zenden aan opposant. Genoemde stukken heeft de rechtbank eerst bij brief d.d. 21 mei 2008 aan opposant doorgezonden, dus nadat uitspraak op 10 april 2008 was gedaan.
De rechtbank heeft hiermee gehandeld in strijd met fundamentele rechtsbeginselen, waaronder het beginsel van hoor en wederhoor. Daarmee staat vast dat ten onrechte het beroep buiten zitting is behandeld en afgedaan. Het verzet had mitsdien gegrond moeten worden verklaard. Door alsnog inhoudelijk de (verlate) reactie van opposant op het standpunt van verweerder te beoordelen, heeft de verzetsrechter miskend dat het verzet zich richt op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat van een "kennelijke" zaak in de zin van artikel 8:54 van Pro de Awb sprake was. Bovendien mist opposant door deze handelwijze een instantie aan welke hij zijn argumenten kan voorleggen. Het voorgaande is voor de rechtbank aanleiding om de uitspraak op verzet vervallen te verklaren. Na deze uitspraak dient de zaak opnieuw behandeld te worden in de stand waarin het zich bevond voordat uitspraak in verzet is gedaan.
De rechtbank merkt ten slotte op dat in dit geval niet de verzetrechter deze uitspraak heeft kunnen wijzen, aangezien deze rechter niet langer bij de rechtbank werkzaam is.
Beslissing
De rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart de uitspraak in de zaak van [opposant], met reg.nrs. AWB 07/8629 ZW en AWB 07/8630 ZW van 15 juli 2008 vervallen;
verwijst deze zaak naar de meervoudige kamer van deze rechtbank om opnieuw te beslissen op het op 28 april 2008 ingestelde verzet tegen de uitspraak van 10 april 2008;
Aldus gegeven door mr. M.P. de Valk en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.
Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage,