ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ0163
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vernietiging erkenning vaderschap wegens ontbreken wettelijke gronden
De moeder verzocht de rechtbank om de erkenning van het vaderschap door de vader over haar minderjarige kind te vernietigen of nietig te verklaren. De minderjarige is geboren uit een relatie met een andere man, de biologische vader, en de vader heeft het kind erkend uit angst voor haar ex-partner en op advies van derden. Uit DNA-onderzoek blijkt dat de vader niet de biologische vader is.
De rechtbank oordeelt dat de erkenning niet nietig is op grond van artikel 1:204 BW Pro omdat de minderjarige niet al twee ouders had in de zin van die wet. Ook het beroep op misbruik van bevoegdheid door de moeder wordt verworpen omdat dit leerstuk niet a contrario kan worden toegepast ten gunste van de moeder die zelf toestemming gaf. De rechtbank weegt daarbij ook het belang van rechtszekerheid.
Ten aanzien van de vernietiging op grond van artikel 1:205 BW Pro stelt de rechtbank dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat zij door dwaling of angst toestemming gaf voor de erkenning. De stelling dat de erkenning was ingegeven door angst voor haar ex-partner wordt niet voldoende ondersteund, mede omdat er een affectieve relatie tussen moeder en vader bestond en de erkenning ook een gezinsvormingsdoel had.
De bijzonder curator maakt zich zorgen over het belang van het kind, maar de rechtbank ziet geen aanleiding voor een raadsonderzoek of kinderbeschermingsmaatregel. De proceskosten worden gecompenseerd. Het verzoek tot vernietiging of nietigverklaring van de erkenning wordt afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot nietigverklaring en vernietiging van de erkenning van het vaderschap wordt afgewezen.