ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ0893
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsaanvraag wegens ontbreken ondubbelzinnige identiteitsvaststelling
Eiser, een vreemdeling van Angolese nationaliteit, verzocht om afgifte van een verblijfsdocument op grond van zijn relatie met een EU-burger. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser geen geldig paspoort of ander identiteitsbewijs kon overleggen. De rechtbank nam het beroep in behandeling, waarbij eiser stelde dat het ontbreken van een paspoort niet tot afwijzing mocht leiden en dat het recht op gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro dit vereiste zou moeten overstijgen.
De rechtbank oordeelde dat het paspoortvereiste conform Richtlijn 2004/38 en het Vreemdelingenbesluit 2000 geldt, maar dat identiteit ook op andere ondubbelzinnige wijze kan worden vastgesteld. Eiser slaagde er echter niet in zijn identiteit op een andere wijze aannemelijk te maken. Het W-document dat hij overhandigde, voldeed niet omdat het slechts een bewijs was van afwachting van een asielbesluit en gebaseerd op door eiser opgegeven persoonsgegevens. De rechtbank verwierp het beroep op artikel 8 EVRM Pro omdat het paspoortvereiste niet in strijd is met dit recht en eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij buiten zijn schuld niet over een paspoort kan beschikken.
De rechtbank concludeerde dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat er geen reden was om een voorlopige voorziening te treffen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak bevestigt het belang van ondubbelzinnige identiteitsvaststelling bij verblijfsaanvragen binnen het vreemdelingenrecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsaanvraag wegens het ontbreken van ondubbelzinnige identiteitsvaststelling wordt ongegrond verklaard.