ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ2376
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Verkleij
- Van der Poort-Schoenmakers
- Lely
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na schikking in strafzaak Opiumwet
In deze strafzaak heeft de rechtbank het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €19.950, conform een eerder tussen het openbaar ministerie en veroordeelde overeengekomen schikking. De zaak betreft een ontnemingsvordering ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht, voortvloeiend uit een veroordeling voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet.
Tijdens de procedure ontstond discussie over de vraag of de ontnemingsvordering was ingetrokken na de schikking van 12 juni 2008. De verdediging stelde dat de zaak was geëindigd en dat een nieuwe vordering noodzakelijk was, terwijl het openbaar ministerie en de rechtbank oordeelden dat de vordering van rechtswege was geschorst en niet was ingetrokken. De rechtbank bevestigde dat de schikking de ontnemingszaak niet beëindigde zolang niet aan de voorwaarden was voldaan.
De rechtbank baseerde haar oordeel op het strafrechtelijk financieel onderzoek en het bewezen verklaarde feit, en wees het standpunt van de verdediging af. Veroordeelde werd verplicht tot betaling van €19.950 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De uitspraak werd gewezen door drie rechters en uitgesproken op 19 juni 2009.
Uitkomst: De rechtbank legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van €19.950 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.