ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ3982
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.A.C. Prins
- A.M.J. Adriaansen
- C.F.J. de Jongh
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewenstverklaring vreemdeling op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Eiser is door verweerder ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat in een eerdere asielprocedure artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing werd geacht. Deze toepassing is in rechte onherroepelijk vastgesteld. Eiser stelde dat gewijzigde omstandigheden en een ander asielrelaas dit niet langer rechtvaardigen, maar de rechtbank oordeelde dat deze documenten en verklaringen niet als nieuwe feiten of omstandigheden gelden, omdat deze in de eerste procedure hadden moeten worden ingebracht.
Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt waarbij het algemene belang van de Nederlandse overheid zwaarder woog dan het persoonlijke belang van eiser. De rechtbank vond deze afweging voldoende gemotiveerd en niet onredelijk. Ten aanzien van het beroep op artikel 3 EVRM Pro stelde de rechtbank vast dat er geen reëel risico is op een schending bij terugkeer naar Armenië, mede omdat een vestigingsalternatief bestaat.
Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro over het recht op gezinsleven werd verworpen, omdat geen sprake is van inmenging in het gezinsleven aangezien de gezinsleden eveneens geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en de ongewenstverklaring blijft in stand.