ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4123

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
1 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
314296 / HA ZA 08-2106
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:268 BWArt. 7:855 lid 2 BWAlgemene voorwaarden Rabobank rekening-courantArtikel 26 Algemene voorwaarden Rabobank
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bank schendt geen zorgplicht bij verkoop bedrijfspand en restschulden

De zaak betreft een geschil tussen Rabobank en gedaagde, die borg stond voor een financiering van Rederij B.V. Na het faillissement van de vennootschap onder firma, waarvoor gedaagde mede aansprakelijk was, ontstond een opeisbare vordering van Rabobank. Gedaagde stelde dat de bank haar zorgplicht had geschonden door hem te dwingen het bedrijfspand voor een te laag bedrag te verkopen, wat leidde tot een hogere restschuld dan bij verhuur mogelijk zou zijn geweest.

De rechtbank stelde vast dat de vordering van Rabobank op gedaagde terecht opeisbaar was en dat Rabobank het recht had om over te gaan tot parate executie. De bank had gedaagde toegestaan zelf een koper aan te dragen en het pand onderhands te verkopen, wat de opbrengst ten goede kwam. Hoewel de bank druk uitoefende om tot verkoop over te gaan, was dit niet onrechtmatig omdat de bank ook tot openbare verkoop had kunnen besluiten.

De rechtbank wees de vordering van Rabobank toe tot een bedrag van €108.734,94, vermeerderd met wettelijke rente en kosten. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling en in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Rabobank krijgt betaling van €108.734,94 plus rente en kosten; zorgplicht bank niet geschonden.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 314296 / HA ZA 08-2106
Vonnis van 1 april 2009
in de zaak van
de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK KATWIJK U.A.,
gevestigd te Katwijk,
eiseres,
advocaat mr. L.M. Bruins,
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. A.L.C.M. Oomen.
Partijen zullen hierna Rabobank en [gedaagde] genoemd worden.
De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 juni 2008, met bijlagen;
- de conclusie van antwoord;
- het tussenvonnis van 15 oktober 2008, waarbij een comparitie van partijen is gelast.
het proces-verbaal van comparitie van 30 januari 2009, met de daarin vermelde stukken.
Ten slotte is vonnis bepaald.
De feiten
[gedaagde] is bestuurder en enig aandeelhouder van Rederij [naam van gedaagde] B.V.
Rederij [naam van gedaagde] B.V. en [A.] zijn vennoten van de vennootschap onder firma [A.] Blumenhandel V.O.F, gevestigd te [woonplaats].
2.2. Rabobank heeft aan de vennootschap onder firma [A.] Blumenhandel V.O.F., alsmede aan haar vennoten, hoofdelijk een financiering verstrekt in de vorm van rekening-courant. Op 25 juli 2007 bedroeg het debetsaldo van deze rekening-courant een bedrag van € 505.246,43.
2.3. Op deze financiering zijn van toepassing de "Algemene voorwaarden voor rekening-courant van de Rabobank" (hierna: de algemene voorwaarden). Hierin staat ondermeer de volgende bepaling:
Artikel 26:
Een kredietfaciliteit eindigt en het door de rekeninghouder verschuldigde debetsaldo is terstond en zonder opzegging, ingebrekestelling, of andere formaliteit opeisbaar:
a. wanneer de rekeninghouder:
- (...)
-failliet wordt verklaard.
(...)
2.4. [gedaagde] heeft zich op 7 februari 2006 in een onderhandse akte jegens Rabobank borg gesteld voor al hetgeen Rabobank van Rederij [naam van gedaagde] B.V. te vorderen heeft, tot een maximum bedrag van € 350.000,-. Als zekerheden voor deze borgtocht zijn gesteld een eerste recht van hypotheek ad € 100.000,- en een tweede recht van hypotheek ad € 200.000,- op het [bedrijfspand]
2.5. Op 25 juli 2007 zijn de vennootschap onder firma [A.] Blumenhandel V.O.F. en haar vennoten in staat van faillissement verklaard.
2.6. Het bedrijfspand is verkocht voor een bedrag van € 242.500,-. Na verrekening van met de verkoop gepaard gaande kosten heeft Rabobank uit de verkoopopbrengst een bedrag van € 241.265,06 mindering gebracht op de borgtochtverplichting van [gedaagde].
Het geschil
Rabobank vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 108.734,94, vermeerderd met wettelijke rente over dat bedrag vanaf 20 juni 2008 tot aan de dag van algehele voldoening en de kosten van deze procedure, vermeerderd met de kosten van het beslag
3.2. Aan de vordering legt Rabobank het volgende ten grondslag. Door het faillissement had Rabobank op 25 juli 2007 een onmiddellijk opeisbare vordering van € 505.246,43 op Rederij [naam van gedaagde] B.V. [gedaagde] heeft zich op 7 februari 2006 tot een bedrag van € 350.000,- borg gesteld voor al hetgeen Rabobank van Rederij [naam van gedaagde] B.V. heeft te vorderen. Uit hoofde van deze borgtocht is [gedaagde] gehouden het deel van de borgsom ad € 350.000,- dat nog open staat aan Rabobank te betalen.
3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De beoordeling
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat Rabobank op
25 juli 2007, toen [naam van gedaagde] Rederij B.V. failleerde, uit hoofde van borgtocht op [gedaagde] een terstond opeisbare vordering had van € 350.000,-.
4.2. Nu [naam van gedaagde] Rederij B.V. op grond van artikel 26 van Pro de algemene voorwaarden zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt, raakte [gedaagde] in verzuim zonder dat de Rabobank behoefde te voldoen aan haar mededelingsplicht van artikel 7:855 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Daar [gedaagde] in verzuim verkeerde, had Rabobank, als houder van het eerste en tweede recht van hypotheek op het bedrijfspand van [gedaagde], op grond van artikel 3:268 BW Pro het recht over te gaan tot parate executie.
Schending zorgplicht
4.3. [gedaagde] voert als verweer dat Rabobank haar zorgplicht jegens hem heeft verzuimd door hem te dwingen het bedrijfspand voor een te laag bedrag te verkopen. Hierdoor heeft [gedaagde] een grotere restschuld dan wanneer hij het pand op een andere manier te gelde had kunnen maken, bijvoorbeeld door verhuur. Rabobank betwist haar zorgplicht te hebben geschonden, nu het ging om een opeisbare vordering en de bank veel geduld heeft gehad met [gedaagde] bij de verkoop van het bedrijfspand.
4.4 Het betoog van [gedaagde] treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. Voor zover op de bank bij het uitoefenen van haar recht op parate executie een zorgplicht jegens [gedaagde] rustte, is de rechtbank niet gebleken dat Rabobank in strijd hiermee heeft gehandeld. Om een zo hoog mogelijke opbrengst te genereren heeft Rabobank aan [gedaagde] toegestaan zelf een koper aan te dragen en het pand onderhands te verkopen. Dat Rabobank enige druk op [gedaagde] heeft uitgeoefend om met onderhandse verkoop in te stemmen doet hier niet aan af, de bank had immers tot openbare verkoop kunnen overgaan.
4.5. De vordering van Rabobank is toewijsbaar tot een bedrag van (€ 350.000,- minus
€ 241.265,06 =) € 108.734,94. De gevorderde wettelijke rente zal als niet betwist worden toegewezen.
4.6. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, inclusief de kosten van het beslag.
De beslissing
De rechtbank:
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Rabobank, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, van een bedrag van € 108.734,94, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 juni 2008 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, inclusief de beslagkosten aan de zijde van Rabobank tot op deze uitspraak begroot op € 2743,46 aan verschotten en € 4263,- aan salaris advocaat;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Thierry en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2009.