ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4123
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bank schendt geen zorgplicht bij verkoop bedrijfspand en restschulden
De zaak betreft een geschil tussen Rabobank en gedaagde, die borg stond voor een financiering van Rederij B.V. Na het faillissement van de vennootschap onder firma, waarvoor gedaagde mede aansprakelijk was, ontstond een opeisbare vordering van Rabobank. Gedaagde stelde dat de bank haar zorgplicht had geschonden door hem te dwingen het bedrijfspand voor een te laag bedrag te verkopen, wat leidde tot een hogere restschuld dan bij verhuur mogelijk zou zijn geweest.
De rechtbank stelde vast dat de vordering van Rabobank op gedaagde terecht opeisbaar was en dat Rabobank het recht had om over te gaan tot parate executie. De bank had gedaagde toegestaan zelf een koper aan te dragen en het pand onderhands te verkopen, wat de opbrengst ten goede kwam. Hoewel de bank druk uitoefende om tot verkoop over te gaan, was dit niet onrechtmatig omdat de bank ook tot openbare verkoop had kunnen besluiten.
De rechtbank wees de vordering van Rabobank toe tot een bedrag van €108.734,94, vermeerderd met wettelijke rente en kosten. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling en in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Rabobank krijgt betaling van €108.734,94 plus rente en kosten; zorgplicht bank niet geschonden.