ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4224
Rechtbank 's-Gravenhage
- Verzet
- B.C. Punt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vaststelling vastrecht bij verzoek tot tussenkomst zonder motieverschil
In deze civiele procedure heeft de besloten vennootschap verzoekster verzet ingesteld tegen de vaststelling van het griffierecht door de griffier. Verzoekster was tussenkomende partij geworden in een procedure tussen Bever Holding en andere partijen en voerde aan dat haar tussenkomst uitsluitend was gericht op het voorkomen van voeging en dat daarom geen of een lager vastrecht verschuldigd zou moeten zijn.
De rechtbank overweegt dat volgens artikel 3, lid 3, van de Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken (WTBZ) een vordering tot voeging of tussenkomst wordt beschouwd als het aanvangen van een nieuw geding, waarvoor een gelijk bedrag aan vastrecht geldt als in het oorspronkelijke geding. Het motief van de partij die intervenieert is daarbij niet relevant voor de hoogte van het vastrecht.
De rechtbank concludeert dat de griffier terecht het volledige vastrecht van €4.784 heeft vastgesteld en verklaart het verzet ongegrond. De beslissing werd uitgesproken op 9 april 2009 door rechter B.C. Punt.
Uitkomst: Het verzet tegen de vaststelling van het volledige vastrecht wordt ongegrond verklaard.