ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4750

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
30 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/44068
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:2 AwbArt. 4:5 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:84 Awb
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen buiten behandeling stellen verblijfsaanvraag wegens niet betalen leges

Verzoeker heeft op 5 september 2008 een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning ingediend. Verweerder stelde de aanvraag buiten behandeling omdat verzoeker de leges niet binnen de gestelde termijn had voldaan, ondanks herhaalde aanmaningen. Verzoeker maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar is beslist.

De voorzieningenrechter overwoog dat volgens artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, het niet betalen van leges binnen de termijn leidt tot buiten behandeling stellen, maar dat indien verweerder niet binnen vier weken na afloop van de termijn het besluit neemt, de aanvraag alsnog in behandeling kan worden genomen mits de leges alsnog in de bezwaarfase worden betaald.

Omdat verweerder pas meer dan vier weken na de gestelde termijn het besluit nam en nog niet op het bezwaar heeft beslist, heeft verzoeker nog een redelijke kans om de leges in de bezwaarfase te voldoen. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en werd uitzetting tot op het bezwaarbesluit geschorst.

Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder in de proceskosten en wees de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet betalen. De vraag of de leges per kas of pin voldaan moesten worden, bleef onbesproken.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting blijft achterwege totdat op het bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE
Voorzieningenrechter
Vreemdelingenkamer
Nevenzittingsplaats Arnhem
registratienummer: AWB 08/44068
Datum uitspraak: 30 juli 2009
Uitspraak
Ingevolge artikel 8:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
inzake
[de vreemdeling],
geboren op [geboortedatum],
v-nummer [nummer],
van Sierra Leoonse nationaliteit,
verzoeker,
gemachtigde mr. T. Thissen,
tegen
de Staatssecretaris van Justitie,
Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verweerder.
Het procesverloop
Op 5 september 2008 heeft verzoeker een vergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘conform beschikking Staatssecretaris’ aangevraagd. Bij besluit van 19 november 2008 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker buiten behandeling gesteld.
Daartegen heeft verzoeker op 16 december 2008 bezwaar gemaakt. Verzoeker is medegedeeld dat hij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten. Bij verzoekschrift van 16 december 2008 heeft verzoeker verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 15 juli 2009. Verzoeker is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. N. Hamzaoui.
De beoordeling
1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 4:2 van Pro de Awb, besloten de aanvraag van verzoeker niet in behandeling te nemen, omdat verzoeker niet de voor de indiening van de aanvraag verschuldigde leges heeft voldaan, terwijl hij wel in de gelegenheid is gesteld dit gebrek te herstellen. Verzoeker is bij brief van 11 september 2008 in de gelegenheid gesteld om de leges op 15 oktober 2008 om 9.30 uur bij het IND-loket te voldoen. Daarnaast is verzoeker op 15 oktober 2008 nogmaals schriftelijk erop gewezen dat de leges aan het IND-loket kunnen worden voldaan. Hieraan is niet voldaan, verzoeker is niet verschenen. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 21 augustus 2006 (LJN: AY7466).
3. Verzoeker stelt zich primair op het standpunt dat geen gelegenheid is geboden alsnog in bezwaar te voldoen. Uit de lijn van de Afdeling volgt dat indien de termijn van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb ongemoeid is verstreken er gelegenheid moet zijn geboden de leges hangende bezwaar te voldoen. Subsidiair stelt verzoeker zich op het standpunt dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2008 (LJN: BD3801), in de wet geen plicht is te vinden voor verzoeker om bij de IND in persoon te verschijnen. In casu is verzoeker niet gewezen op de mogelijkheid om leges anders dan per kas of per pin te voldoen. Verzoeker heeft bij brief van 8 oktober 2008 het initiatief genomen om de leges op andere wijze te voldoen. Weliswaar wordt door verweerder gesuggereerd dat een derde namens verzoeker bevrijdend had kunnen betalen, echter een dergelijke eis vindt geen steun in een wettelijke regeling en is bovendien onnodig bezwarend. Verwezen wordt naar de overgelegde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Middelburg van 19 februari 2009 (AWB 08/26113) en de overgelegde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Roermond, van 23 april 2009 (08/44063).
4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
5. Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 3.34 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, is de vreemdeling terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier leges verschuldigd. Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.
6. In bovenvermelde uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2006 is onder meer het volgende overwogen.
“Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, uitspraak van 21 oktober 2004 in zaak no. 200406363/1 (JV 2004/ 477), wijkt artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 slechts in zoverre af van artikel 4:5 van Pro de Awb dat, indien betaling van de voor afdoening van de aanvraag verschuldigde leges achterwege blijft, de minister niet slechts de bevoegdheid toekomt die aanvraag niet te behandelen, doch dat hij daartoe ook gehouden is. Uit de tekst, noch de geschiedenis van de totstandkoming van de bepaling blijkt dat de wetgever daarmee tevens heeft beoogd af te wijken van het bepaalde bij artikel 4:5, vierde lid, van de Awb. Ingevolge beide wettelijke bepalingen, in onderlinge samenhang gelezen, is de minister, indien de vreemdeling na aanmaning onder termijnstelling in gebreke blijft de leges te betalen, gehouden de aanvraag binnen vier weken na afloop van de gestelde termijn buiten behandeling te stellen. Het in bezwaar tegen zodanig besluit alsnog betalen van de leges kan aan dat besluit niet afdoen.
Indien de minister een aanvraag niet binnen de daartoe gestelde termijn van vier weken buiten behandeling stelt, staat artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 niet aan de behandeling daarvan in de weg, mits de vreemdeling de verschuldigde leges alsnog in de bezwaarfase betaalt.”
7. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder verzoeker bij brief van 11 september 2008 in de gelegenheid heeft gesteld om op 15 oktober 2008 alsnog de leges te voldoen. De door verweerder gestelde termijn is dus op 15 oktober 2008 verlopen. Pas bij besluit van 19 november 2008, meer dan vier weken na afloop van de gestelde termijn, heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld. Gelet op de bovengeciteerde overweging van de Afdeling staat artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 in dit geval niet aan de behandeling van de aanvraag in de weg, mits verzoeker de verschuldigde leges alsnog in de bezwaarfase betaalt. Nu verweerder nog niet op het bezwaar heeft beslist en verzoeker de verschuldigde leges dus nog steeds in de bezwaarfase kan voldoen, moet geoordeeld worden dat het bezwaar op dit moment nog een redelijke kans van slagen heeft.
8. Derhalve wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe.
9. Gelet op het bovenstaande behoeft de vraag of verweerder de eis heeft kunnen stellen dat verzoeker de leges per kas of per pin aan het IND-loket moet voldoen, thans geen beantwoording.
10. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb en verweerder te veroordelen in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van verleende rechtsbijstand en het verschijnen ter zitting. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.
De beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- treft de voorlopige voorziening dat uitzetting achterwege blijft tot op het bezwaar is beslist;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 644,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die dit bedrag dient te betalen aan verzoeker;
- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan verzoeker € 145,- te betalen ter vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. J.H.J. Baarsma-Reuchlin, griffier.
de griffier
de voorzieningenrechter
Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2009.