ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ6316
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende motivering uitzonderlijke situatie in Kirkuk
Verzoeker, afkomstig uit Kirkuk, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, welke werd afgewezen door verweerder. Verzoeker stelde dat hij vanwege bedreigingen en ontvoeringen in Irak recht had op subsidiaire bescherming onder artikel 15c van de Definitierichtlijn, gesteund door de UNHCR Eligibility Guidelines.
Verweerder wees de aanvraag af wegens gebrek aan geloofwaardigheid van het relaas en het ontbreken van documenten ter staving van identiteit en reisroute. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van documenten verwijtbaar was en dat het relaas onvoldoende overtuigend was. Echter, de rechtbank stelde vast dat de minister van Buitenlandse Zaken geen deugdelijke motivering gaf voor het standpunt dat in Kirkuk geen uitzonderlijke situatie bestond, ondanks het gezag van de UNHCR-rapportage.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens schending van het motiveringsbeginsel en verklaarde het beroep gegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen wegens gebrek aan belang. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van een gedegen motivering bij het weigeren van subsidiaire bescherming in conflictrijke gebieden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent de uitzonderlijke situatie in Kirkuk.