ECLI:NL:RBSGR:2009:BK0031

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
8 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09/34170
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 8:57 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtmatigheid bewaring ondanks overschrijding termijn vooronderzoek vreemdelingenwet

Eiser is op 17 maart 2009 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Na eerdere ongegronde beroepen tegen de bewaring, stelde eiser op 22 september 2009 beroep in tegen het voortduren van de vrijheidsontneming en vorderde opheffing van de maatregel en schadevergoeding.

De rechtbank ontving het beroepschrift op 22 september 2009 en sloot het vooronderzoek op 2 oktober 2009, waarbij de wettelijk voorgeschreven termijn van een week na ontvangst van het beroepschrift met drie dagen werd overschreden. De rechtbank oordeelde dat deze geringe overschrijding niet leidde tot onrechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring.

De rechtbank overwoog dat de maximale termijn voor het vooronderzoek en het doen van schriftelijke uitspraak met niet meer dan twee dagen werd overschreden en dat eiser geen aanvullende beroepsgronden had ingediend na ontvangst van de voortgangsrapportage. Hierdoor was eiser niet in betekenende mate in zijn belangen geschaad.

De rechtbank besloot het beroep ongegrond te verklaren en het verzoek om schadevergoeding af te wijzen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Sector Bestuursrecht
Zittinghoudende te Amsterdam
zaaknummer: AWB 09/34170
V-nr: *
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken
in het geding tussen:
eiser [naam], geboren [datum] in 1986, van (gestelde) Palestijnse nationaliteit,
gemachtigde: mr. drs. I.N. Wildschut, advocaat te Amsterdam
en:
de staatssecretaris van Justitie,verweerder.
1. Procesverloop
Op 17 maart 2009 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft eerdere beroepen tegen de oplegging dan wel voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel, laatstelijk bij uitspraak van 8 september 2009 ongegrond verklaard.
Op 22 september 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Daarbij heeft hij opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding.
Op 25 september 2009 heeft verweerder de rechtbank inlichtingen verstrekt over de voortgang van de voorbereiding van de uitzetting. De rechtbank heeft deze inlichtingen op dezelfde datum doorgezonden aan de gemachtigde van eiser. Deze heeft per faxbericht niet op verweerders inlichtingen gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten en op grond van artikel 96 van Pro de Vw 2000 bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2. Overwegingen
Gelet op de inhoud van het dossier en de door partijen overgelegde stukken acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen.
In artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000, is voor zover hier van belang, het volgende bepaald. De rechtbank sluit het onderzoek binnen een week na ontvangst van het beroepschrift. In afwijking van artikel 8:57 van Pro de Awb kan de rechtbank ook zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. In artikel 96, tweede lid, van de Vw 2000, is bepaald dat de rechtbank, in het geval zij schriftelijk uitspraak doet, zij deze binnen een week na sluiting van het onderzoek doet. Deze termijn kan niet worden verlengd.
Nu het beroepschrift op 22 september 2009 is ontvangen, liep de termijn voor het vooronderzoek, gesteld bij het eerste lid van artikel 96 van Pro de Vw 2000, op 29 september 2009 af. De rechtbank heeft het vooronderzoek evenwel gesloten op 2 oktober 2009, zodat de even bedoelde termijn met drie dagen overschreden is.
Uit de bewoordingen van artikel 96, eerste lid van de Vw 2000, noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling kan worden afgeleid dat het gevolg is beoogd dat de enkele overschrijding van de in die bepaling neergelegde termijn tot gevolg heeft dat voortduring van de bewaring niet langer rechtmatig is. De rechtbank dient dan ook de vraag te beantwoorden of eiser door deze overschrijding in betekenende mate in zijn belangen is geschaad. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank doet zes dagen na de geconstateerde overschrijding onderhavige uitspraak. De door de wet voorgeschreven maximale termijn inzake de gezamenlijke duur van het vooronderzoek en het doen van de schriftelijke uitspraak na het sluiten van het onderzoek wordt dan ook met niet meer dan twee dagen overschreden. Voorts heeft eiser na ontvangst van de voortgangsrapportage geen nadere beroepsgronden ingediend.
Eiser is dan ook niet in betekenende mate in zijn belang geschaad door de onderhavige overschrijding van de termijn betreffende het vooronderzoek.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van Pro de Vw 2000 of artikel 8:75 van Pro de Awb.
3. Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 8 oktober 2009 door mr. R.H.G. Odink, voorzitter, in tegenwoordigheid van H.C. Hagen, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.
Afschrift verzonden op:
Conc.: HH
Coll:
D: C
VK
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.