ECLI:NL:RBSGR:2009:BK1395
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- H.C. Greeuw
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting wegens ongewenstverklaring in het kader van subsidiaire bescherming
Verzoeker, van Afghaanse nationaliteit, is ongewenst verklaard door verweerder op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000. Verzoeker betwist deze verklaring en stelt aanspraak te maken op subsidiaire bescherming volgens richtlijn 2004/83/EG vanwege de ernstige veiligheidssituatie in de provincie Kapisa, Afghanistan.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de vraag of de ongewenstverklaring verenigbaar is met artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de richtlijn, pas aan de orde komt indien is vastgesteld dat verzoeker recht heeft op subsidiaire bescherming. Verweerder heeft zich niet voldoende schriftelijk en gemotiveerd uitgelaten over de verslechterde veiligheidssituatie en de relevante jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (Elgafaji-arrest). Daarom wordt verweerder opgedragen alsnog een schriftelijke reactie te geven.
Gezien het risico op een onomkeerbare situatie bij uitzetting en de door verzoeker overgelegde informatie over de veiligheidssituatie, weegt het belang van verzoeker om zijn beroep in Nederland af te wachten zwaarder dan het belang van verweerder om de uitzetting te effectueren. De voorlopige voorziening wordt toegewezen, waarbij verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De uitzetting van verzoeker wordt verboden totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan over het beroep tegen de ongewenstverklaring.