ECLI:NL:RBSGR:2009:BK1446
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen ongewenstverklaring en afwijzing verlenging verblijfsvergunning
Verzoeker, van Iraakse nationaliteit, diende een aanvraag in voor verlenging van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en werd op 14 mei 2009 ongewenst verklaard vanwege een onherroepelijke veroordeling tot gevangenisstraf. De aanvraag werd afgewezen omdat verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormde volgens de geldende wettelijke normen.
Verzoeker voerde aan dat de verblijfsduur onjuist was berekend en dat de afwijzing en ongewenstverklaring in strijd waren met artikel 8 EVRM Pro vanwege zijn bijzondere gezinsbanden en integratie in Nederland. De rechtbank oordeelde dat verzoeker geen belang had bij het bezwaar tegen de verblijfsvergunning zolang de ongewenstverklaring voortduurde, waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank constateerde dat het bestreden besluit geen adequate belangenafweging bevatte conform artikel 8 EVRM Pro en dat verzoeker aannemelijk had gemaakt dat zijn gezinsbanden bijzonder en afhankelijk waren. Daarom werd een voorlopige voorziening getroffen die de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring schorst tot vier weken na beslissing op bezwaar, waardoor verzoeker gedurende deze periode niet mag worden uitgezet.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Er is geen gewoon rechtsmiddel tegen deze uitspraak mogelijk.
Uitkomst: Bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning niet-ontvankelijk; schorsing rechtsgevolgen ongewenstverklaring en verbod op uitzetting tot vier weken na beslissing op bezwaar.