ECLI:NL:RBSGR:2009:BK1930
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- M.Th. Nijhuis
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen wegens onrechtmatigheid samenwerking apotheek en huisartsencentrum
In dit kort geding stond centraal de vraag of de samenwerking tussen Vitea, een organisatie van huisartsencentra, en De Centrale Apotheek (DCA) onrechtmatig is jegens meerdere apotheken en belangenorganisaties. Eisers stelden dat deze samenwerking leidde tot ongeoorloofde belangenverstrengeling, strijd met het recht op vrije apotheekkeuze, schending van beroepsregels en misleidende reclame.
De rechtbank oordeelde dat Napco en SaSa niet-ontvankelijk waren wegens gebrek aan statutair belang. KNMP en andere apotheken waren ontvankelijk. De samenwerking houdt in dat patiënten via Vitea hun herhaalrecepten elektronisch naar DCA sturen, waarna medicatie via een uitdeelpost bij Vitea wordt geleverd. De minister en IGZ hadden geen aanwijzingen gevonden dat deze samenwerking in strijd was met de Geneesmiddelenwet of het Besluit Geneesmiddelenwet.
De rechtbank stelde vast dat er geen bewijs was dat Vitea financieel profiteerde van de samenwerking, noch dat er sprake was van verboden belangenverstrengeling of oneerlijke concurrentie. Ook werd geoordeeld dat de patiënten vrij waren in hun apotheekkeuze en dat de informatie aan patiënten niet misleidend was. De beroepsregels werden niet geschonden omdat de apotheekhoudende verantwoordelijk blijft voor de terhandstelling van geneesmiddelen.
Gelet op het ontbreken van voldoende aannemelijk gemaakte onrechtmatigheid, wees de rechtbank de gevorderde voorzieningen af en veroordeelde de eisers in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen tegen de samenwerking tussen Vitea en De Centrale Apotheek werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van onrechtmatigheid.