ECLI:NL:RBSGR:2009:BK3140

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
3 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09/24943
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • C.W. Rang
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit verblijfsvergunning

Verzoekster heeft tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een bezwaarschrift ingediend en tegelijkertijd een verzoek tot voorlopige voorziening ingediend om uitzetting te voorkomen.

De rechtbank overweegt dat de enkele omstandigheid dat het besluit voor uitvoering vatbaar is, geen spoedeisend belang oplevert zoals bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Verzoekster heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat binnen korte termijn een concrete uitzetting zal plaatsvinden.

De rechtbank volgt hiermee de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak is gedaan zonder zitting. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Sector Bestuursrecht
Zittinghoudende te Amsterdam
zaaknummer: AWB 09/24943
V-nr: *
uitspraak van de voorzieningenrechter
in het geding tussen:
[naam], [datum] geboren in 2003, van Ghanese nationaliteit, verzoekster,
wettelijk vertegenwoordiger: [naam] A (moeder), geboren [datum] in 1972, eveneens van Ghanese nationaliteit,
gemachtigde: mr. J. van Koesveld, advocaat te Amsterdam,
en:
de staatssecretaris van Justitie, verweerder.
1. Procesverloop
Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Dit besluit is genomen op 9 juli 2009. Verzoekster heeft op dezelfde datum tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. De werking van dit besluit wordt niet opgeschort door de indiening van een bezwaarschrift.
Bij verzoekschrift van 9 juli 2009 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is op 15 juli 2009 aangevuld.
Bij brieven van 6 oktober 2009 is aan partijen verzocht om binnen vier weken nadere inlichtingen te verstrekken. Bij brief van 7 oktober 2009 heeft verzoekster hierop een reactie ingediend. Bij brief van 12 oktober 2009 heeft verweerder een reactie ingediend.
2. Overwegingen
1. Verzocht is verweerder te verbieden verzoekster tijdens de bezwaarprocedure uit Nederland te (doen) verwijderen. Tevens is verzocht verweerder te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure met inbegrip van het griffierecht. Ter onderbouwing van het spoedeisend belang heeft verzoekster aangevoerd dat uit respect voor het oordeel van de rechtbank verweerder niet overgaat tot onomkeerbare handelingen, zoals de uitzetting van een vreemdeling, zolang op de voorlopige voorziening nog niet is beslist. Het afwijzen van de voorlopige voorziening heeft tot gevolg dat het reële risico herleeft dat verweerder alsnog overgaat tot het plegen van uitzettingshandelingen.
2. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juni 2008, LJN BD3910) levert de enkele omstandigheid dat het besluit van 9 juli 2009 voor uitvoering vatbaar is, geen spoedeisend belang op als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Awb. Verzoekster is in de gelegenheid gesteld aannemelijk te maken dat er een spoedeisend belang bestaat bij het verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster is hier niet in geslaagd, aangezien uit hetgeen verzoekster heeft aangevoerd niet kan worden afgeleid dat binnen korte termijn uitzetting zal plaatsvinden dan wel dat om andere redenen sprake is van een spoedeisend belang. Dat het afwijzen van een voorlopige voorziening tot gevolg heeft dat het reële risico herleeft dat verweerder alsnog overgaat tot het plegen van uitzettingshandelingen, maakt bovenstaande niet anders. De enkele mogelijkheid van uitzetting betekent immers niet dat er sprake is van een concrete uitzetting(sdatum).
4. Het verzoek wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om met toepassing van artikel 8:83, derde lid in samenhang met artikel 8:84 van Pro de Awb uitspraak te doen zonder zitting.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzieningenrechter
wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan op 3 november 2009 door mr. C.W. Rang, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van D. Bokma, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.
de griffier de voorzieningenrechter
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Afschrift verzonden op:
Coll:
D:B