ECLI:NL:RBSGR:2009:BK3722
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boete BPM wegens ontbreken grove schuld bij tijdelijke verwijdering vaste wand bestelauto
De zaak betreft een naheffingsaanslag BPM en een boete opgelegd aan eiser wegens het tijdelijk verwijderen van de vaste tussenwand in zijn bestelauto, waardoor niet werd voldaan aan de inrichtingseisen voor vrijstelling van BPM. Eiser voerde aan dat de wand slechts kort was verwijderd om lange planken te vervoeren en dat hij zich niet bewust was van de fiscale gevolgen.
De rechtbank oordeelde dat eiser bekend mocht worden verondersteld met de inrichtingseisen voor vrijstelling, maar dat niet aannemelijk was gemaakt dat hij zich bewust had moeten zijn dat het ontbreken van de wand direct leidde tot BPM-heffing. De naheffingsaanslag werd bevestigd omdat herstel niet mogelijk was volgens de Leidraad BPM 2006.
De boete werd echter vernietigd omdat de rechtbank geen sprake vond van grove schuld. Het verwijt dat eiser lichtvaardig handelde werd onvoldoende onderbouwd, mede omdat eiser aannemelijk maakte dat hij niet wist dat het verwijderen van de wand direct BPM-plicht veroorzaakte.
De rechtbank wees tevens het beroep op eerdere jurisprudentie en Kamervragen af en concludeerde dat de Staatssecretaris geen beleidswijziging had doorgevoerd die een andere uitkomst zou rechtvaardigen. Het beroep tegen de naheffingsaanslag werd ongegrond verklaard, het beroep tegen de boete gegrond en de boetebeschikking vernietigd.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt bevestigd, maar de boete wegens grove schuld wordt vernietigd.