ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4599
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in vreemdelingenzaak
Eiser, een Pakistaanse vreemdeling, diende op 24 juni 2008 een verzoek om schadevergoeding in wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van zijn bezwaar tegen een besluit omtrent zijn verblijfsvergunning. De staatssecretaris van Justitie wees dit verzoek af, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank toetste het bestreden besluit aan de hand van de criteria uit het civiele recht en het EVRM, met name artikel 6 over Pro het recht op een redelijke termijn. De procedure kende een lange duur van ruim vier jaar en twee maanden tussen het indienen van het bezwaar en het uiteindelijke besluit op bezwaar. De rechtbank oordeelde dat deze termijn de redelijke termijn met ruim een jaar overschreed en dat deze overschrijding geheel aan de overheid toe te rekenen was.
De rechtbank verwierp de stelling van verweerder dat de zaak ingewikkeld was en dat de gerechtelijke procedures de duur rechtvaardigden. Ook het late beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen kon hem niet worden aangerekend. Op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak werd een vergoeding van €1.500,- toegekend voor de immateriële schade.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht. Het bestreden besluit werd vernietigd en de uitspraak trad in de plaats daarvan. Partijen werd de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Raad van State geboden.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van €1.500,- immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.