ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4954
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onredelijke inbewaringstelling vijf dagen voor geplande uitzetting en toekenning schadevergoeding
Eiser werd op 28 september 2009 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000, vijf dagen voor zijn geplande uitzetting op 5 oktober 2009. Eiser stelde dat de maatregel onrechtmatig was omdat verweerder geen onderzoek had gedaan naar zijn middelen van bestaan en geen belangenafweging had gemaakt, terwijl hij een gezin had en zich niet aan de uitzetting had onttrokken.
Verweerder stelde dat de maatregel rechtmatig was omdat eiser ongewenst was verklaard, zich niet aan de vertrektermijn had gehouden en geen lopende verblijfsprocedures meer had. De bewaring werd na het instellen van het beroep opgeheven.
De rechtbank oordeelde dat hoewel verweerder bevoegd was tot inbewaringstelling, het moment van vijf dagen voor uitzetting onredelijk was. Gezien het volledig voorbereide uitzettingsproces en het beleid dat bewaring zo kort mogelijk moet duren, had de inbewaringstelling maximaal twee dagen voor uitzetting mogen plaatsvinden. Ook werd onvoldoende rekening gehouden met de gezinssituatie van eiser.
Daarom werd de vrijheidsontnemende maatregel voor vijf dagen als onredelijk beoordeeld en werd eiser een schadevergoeding van €400 toegekend, plus een vergoeding van €644 voor proceskosten. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde de Staat tot betaling van deze bedragen.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de inbewaringstelling vijf dagen voor uitzetting onredelijk was en kent eiser een schadevergoeding van €400 toe.