ECLI:NL:RBSGR:2009:BK6641

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
8 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/71
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 591a Wetboek van StrafvorderingArt. 69a Besluit algemene rechtspositie politieArt. 5 Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vergoeding kosten raadsman politieambtenaar na sepot strafzaak

Verzoeker, een politieambtenaar, diende een verzoek in op grond van artikel 591a Wetboek van Strafvordering tot vergoeding van de kosten van zijn raadsman, nadat de strafzaak tegen hem was geseponeerd. De kosten waren echter door het politiekorps betaald. Verzoeker stelde dat hij deze kosten bij het bevoegd gezag moest terugvorderen en daarom toch schade had geleden.

De rechtbank oordeelde dat de regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie geen terugbetalingsverplichting kent en dat noch het Besluit algemene rechtspositie politie, noch de Politiewet 1993 een dergelijke verplichting oplegt. Het feit dat verzoeker geacht wordt een 591a-verzoek in te dienen is niet bepalend voor het ontstaan van schade.

Omdat verzoeker de kosten niet zelf heeft betaald en ook niet hoeft te betalen, en er geen bijzondere omstandigheden waren die een vergoeding door de Staat rechtvaardigen, wees de rechtbank het verzoek af. Wel werd het verzoek tot vergoeding van de kosten van het verzoekschrift toegewezen door de officier van justitie, maar dit is niet in de beschikking opgenomen.

Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman wordt afgewezen omdat de kosten door het politiekorps zijn betaald en geen schade is geleden.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector strafrecht
Parketnummer: -
Kenmerk RK: 09/71
Beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage op het verzoekschrift ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
te dezer zake domicilie kiezende te 's-Gravenhage,
Jacob Mosselstraat 2, ten kantore van mr. M.G. Cantarella,
ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 12 januari 2009, strekkende tot een vergoeding ten laste van de Staat van de kosten van zijn raadsman tot een bedrag van in totaal € 4.685,79, vermeerderd met een bedrag van in totaal € 540,= in verband met de kosten van het onderhavige verzoekschrift. Per brief d.d. 12 oktober 2009 is het verzoek tot een vergoeding ten laste van de Staat aangepast tot een bedrag van in totaal € 8.793,54.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.
De rechtbank heeft op 24 november 2009 dit verzoekschrift in raadkamer behandeld.
Verzoeker, bijgestaan door mr. M.G. Cantarella, advocaat te 's-Gravenhage, is in raadkamer gehoord.
De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot een vergoeding voor de kosten raadsman en tot toewijzing van het verzoek tot vergoeding van de kosten van het onderhavige verzoekschrift.
Beoordeling van het verzoekschrift.
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het verzoek.
De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd door middel van een brief van de officier van justitie d.d. 13 oktober 2008 aan verzoeker met de mededeling dat de strafzaak tegen verzoeker is geseponeerd. Vervolgens is tegen verzoeker een artikel 12 procedure Pro bij het gerechtshof aangespannen, die inmiddels heeft geresulteerd in een beslissing d.d. 4 augustus 2009, waardoor het voormelde sepot thans onherroepelijk is geworden. Het verzoek is tijdig ingekomen.
Verzoeker stelt dat hij, hoewel de kosten raadsman zijn betaald door de politie Haaglanden, schade heeft geleden, nu hij de kosten van de korpsleiding bij het bevoegd gezag moet terugvorderen. Deze handelwijze wordt ook verwacht van politiemensen op grond van artikel 5 lid 3 van Pro de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie, die sinds 1 oktober 2008 landelijk van kracht is geworden voor alle politiekorpsen, aldus verzoeker.
De officier van justitie heeft bestreden dat verzoeker enige schade heeft geleden voor de kosten raadsman, nu deze kosten door de politie Haaglanden zijn voldaan.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 591a, eerste en tweede lid, Sv wordt, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, aan de gewezen verdachte uit 's Rijks kas een vergoeding toegekend voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door het gerechtelijk vooronderzoek en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman.
Bij de in de artikel 591a Sv geregelde vergoeding gaat het, blijkens de wetsgeschiedenis en jurisprudentie, om die kosten en schade, die werkelijk ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen of welke door hem zijn geleden.
Ten behoeve van de verdediging van verzoeker heeft mr. M.G. Cantarella werkzaamheden verricht. Genoemde raadsman heeft terzake van de door hem verrichte werkzaamheden declaraties op naam gesteld van en ingediend bij de politie Haaglanden. Uit de stukken en hetgeen is verhandeld ter zitting blijkt, dat de politie Haaglanden de declaraties heeft voldaan.
In beginsel betekent dat, dat verzoeker de bedoelde schade niet heeft geleden.
Dat kan anders zijn indien moet worden geoordeeld dat de kosten, hoewel feitelijk niet door hem betaald, toch als zijn schade zouden moeten worden gezien. Daarvoor is niet bepalend of verzoeker geacht wordt een 591a-verzoek in te dienen.
Beoordeeld moet worden of de kosten alsnog ten laste van verzoeker komen indien hij géén 591a-verzoek indient of indien dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen; in dat geval zou er sprake zijn van een daadwerkelijk voorschot.
In de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie (de regeling) is in artikel 5, derde lid, bepaald:
"In een strafrechtelijke procedure draagt de ambtenaar zorg voor een verzoek tot vergoeding van kosten op grond van de artikelen 591 en 591 van het Wetboek van Strafvordering en draagt er bij toewijzing van dit verzoek zorg voor dat deze vergoeding toekomt aan het bevoegd gezag."
Niet blijkt uit de bedoelde regeling dat verzoeker verplicht is de kosten voor juridische bijstand te vergoeden of wat er gebeurt als hij nalaat de kosten bij het bevoegd gezag te vorderen.
Artikel 69a van het Besluit algemene rechtspositie politie (het besluit) kent de politieambtenaar een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe. Het vierde lid van dat artikel noemt limitatief de gevallen waarin de kosten van rechtskundige hulp kunnen worden teruggevorderd. Nalaten een 591a-verzoek in te dienen of een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een dergelijk verzoek zijn geen gronden voor terugvordering.
Nu noch het besluit, noch de Politiewet 1993, waarop dat besluit gebaseerd is, de politieambtenaar een andere terugbetalingsverplichting oplegt, kan die verplichting niet alsnog bij ministeriële regeling worden geschapen. Voor een andere, ruimere lezing van artikel 5 van Pro de regeling is derhalve geen plaats.
Voorts heeft verzoeker in raadkamer verklaard dat hij de rekeningen niet heeft betaald en ook niet hoeft te betalen, maar dat hij wel zijn best moet doen om de bedragen terug te vorderen.
In de onderhavige zaak is naar het oordeel van de rechtbank gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, geen sprake van een situatie waarin verzoeker op enigerlei wijze zelf kosten van rechtsbijstand heeft moeten dragen of zal moeten dragen.
Nu voorts gesteld noch gebleken is van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan - desondanks - een vergoedingsplicht voor de Staat jegens verzoeker zou kunnen worden aangenomen, dient het verzoek te worden afgewezen.
Voor toekenning van een vergoeding voor de kosten van de onderhavige verzoekschriftprocedure acht de rechtbank, in het licht van het voorgaande, evenmin gronden aanwezig.
Beslissing.
De rechtbank wijst het verzoek af.
Aldus gedaan te 's-Gravenhage door mr. G.H.M. Smelt, rechter, in tegenwoordigheid van mr.drs. S.G.J. Verkennis, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 december 2009.