ECLI:NL:RBSGR:2009:BK7344
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning asiel op grond van ontbreken subsidiaire bescherming wegens situatie in Burundi
Eiser, een vreemdeling van Burundische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Verweerder wees deze aanvraag af omdat de grond voor verlening van de vergunning was komen te vervallen en eiser niet voldeed aan de criteria voor subsidiaire bescherming op grond van artikel 15 van Pro de Definitierichtlijn.
Eiser stelde dat de toets aan artikel 15 van Pro de Definitierichtlijn autonoom is en dat het toetsmoment lag op de datum van het aflopen van de implementatietermijn, 10 oktober 2006. De rechtbank volgde dit niet en stelde dat het toetsmoment de datum van het besluit was, 5 juli 2007. Uit de stukken bleek niet dat er toen sprake was van een uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld in Burundi die een reëel risico op ernstige schade opleverde.
De rechtbank overwoog dat de bescherming van artikel 15 van Pro de Definitierichtlijn in wezen wordt gedekt door artikel 3 EVRM Pro en artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verwierp het betoog dat verweerder ten onrechte geen expliciete toets aan artikel 15 had Pro verricht en oordeelde dat het besluit voldoende gemotiveerd en zorgvuldig was genomen.
Gelet op het voorgaande verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning af. Partijen werd de mogelijkheid geboden om hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.