ECLI:NL:RBSGR:2009:BK7600
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot vaststelling ingangsdatum duurzaam verblijfsrecht Unie burger
Eisers verzochten de rechtbank om vast te stellen dat zij duurzaam verblijfsrecht als Unieburgers hebben vanaf juni 2002. Hoewel verweerder verblijfsdocumenten heeft afgegeven die het duurzaam verblijfsrecht bevestigen, stelde hij niet de ingangsdatum daarvan vast. Eisers betoogden dat verweerder daartoe bevoegd is op grond van het gemeenschapsrecht en dat zij recht hebben op vergoeding van proceskosten vanwege onrechtmatig handelen van verweerder.
De rechtbank oordeelde dat noch de artikelen 8.17 tot en met 8.20 van het Vreemdelingenbesluit 2000, noch de artikelen 16 tot en met 21 van de EU-Richtlijn 2004/38/EG de bevoegdheid aan verweerder geven om bindend de ingangsdatum van het duurzaam verblijfsrecht vast te stellen. De verificatie voorafgaand aan het verstrekken van het verblijfsdocument kan niet gelijkgesteld worden aan een vaststelling van de ingangsdatum.
Verder stelde de rechtbank vast dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eisers alvorens op het bezwaar te beslissen, waardoor de besluiten van 6 november 2007 onrechtmatig waren. Dit leidde tot vernietiging van de afwijzing van het verzoek tot vergoeding van proceskosten en tot veroordeling van verweerder tot betaling van € 966,00 aan proceskosten. Het beroep werd voor het overige ongegrond verklaard.
Uitkomst: Verweerder is niet bevoegd de ingangsdatum van het duurzaam verblijfsrecht bindend vast te stellen en wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten wegens onrechtmatig handelen.