ECLI:NL:RBSGR:2009:BK8293
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunningen asiel wegens vervallen rechtsgrond en onvoldoende bescherming
Eisers, beiden van Burundische nationaliteit, hadden verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd verkregen op grond van het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Burundi. Verweerder beëindigde dit beleid per 19 juni 2006 en trok de vergunningen van eisers in, omdat de rechtsgrond voor verlening was komen te vervallen.
Eisers voerden aan dat de veiligheidssituatie in Burundi was verslechterd en dat zij vrezen voor vervolging en discriminatie, onder meer vanwege hun gemengde afkomst. Zij stelden dat verweerder onterecht het vertrouwensbeginsel had geschonden door de vergunningen in te trekken en dat zij aanspraak maken op bescherming op grond van andere bepalingen van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het categoriale beschermingsbeleid had beëindigd en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Tevens achtte de rechtbank het asielrelaas van eisers ongeloofwaardig en onvoldoende onderbouwd met documenten. De rechtbank verwierp het beroep op de subsidiaire beschermingsstatus en het beroep op artikel 3 EVRM Pro, omdat geen reëel risico op ernstige schade was aangetoond.
De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De beroepen tegen de intrekking van de verblijfsvergunningen asiel zijn ongegrond verklaard.