ECLI:NL:RBSGR:2009:BK8800
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing van toepassing en motivering Pardonregeling bij verblijfsvergunning
Eiser, een Iraakse vreemdeling die sinds 1998 in Nederland verblijft, heeft bezwaar gemaakt tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Pardonregeling. Verweerder had het bezwaar ongegrond verklaard omdat niet was aangetoond dat eiser sinds 1 april 2001 ononderbroken in Nederland verbleef. Eiser had in 2007 in Italië een asielaanvraag ingediend, waarna Oostenrijk een claim op Nederland legde op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank overwoog dat de Pardonregeling vereist dat het verblijf ononderbroken is sinds 1 april 2001, waarbij aantoonbaar vertrek uit Nederland na die datum uitsluitingsgrond is. De rechtbank stelde vast dat verweerder niet voldoende had gemotiveerd waarom de datum 13 december 2006 als einddatum werd gehanteerd bij de beoordeling van aantoonbaar vertrek, terwijl uit de regeling en het beleidsverslag niet blijkt dat vertrek na die datum niet wordt tegengeworpen.
Verder achtte de rechtbank de enkele stelling van verweerder dat het ononderbroken verblijf niet beperkt is tot 31 december 2006 onvoldoende gemotiveerd. Ook werd vastgesteld dat verweerder niet heeft gereageerd op het standpunt van eiser dat het ontbreken van een einddatum leidt tot kennelijk onredelijk beleid. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.