ECLI:NL:RBSGR:2009:BK9320
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen ingangsdatum verblijfsvergunning asiel wegens vermeend misbruik van recht
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 juni 2008 waarbij hem een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend met ingang van 11 februari 2008. Eiser stelde dat de vergunning met ingang van 14 januari 2008, de dag van zijn aanmelding bij het Aanmeldcentrum te Ter Apel, had moeten ingaan. Hij stelde dat verweerder misbruik van recht maakte door hem niet direct de mogelijkheid te bieden de aanvraag in te dienen.
Verweerder voerde aan dat de vergunning terecht op 11 februari 2008 is verleend, omdat de aanvraag op die datum is ingediend. Het tijdsverloop tussen aanmelding en aanvraag diende het belang van de vreemdeling, zodat deze tot rust kon komen en zich kon voorbereiden op de asielprocedure. Ook logistieke redenen speelden een rol.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 de verblijfsvergunning niet eerder kan ingaan dan de datum waarop de aanvraag is ontvangen. De termijn waarbinnen een vreemdeling na aanmelding een aanvraag moet kunnen indienen is niet wettelijk geregeld, maar verweerder streeft naar een termijn van zes weken. Eiser heeft binnen deze termijn zijn aanvraag kunnen indienen, zodat geen sprake is van misbruik van recht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de verblijfsvergunning blijft geldig vanaf 11 februari 2008.