ECLI:NL:RBSGR:2009:BL0040
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens ontbreken van nieuw gebleken feiten
Eiser heeft meerdere keren een verblijfsvergunning asiel aangevraagd, die telkens is afgewezen. In eerdere besluiten is artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan eiser tegengeworpen wegens betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen, en is vastgesteld dat hij bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM.
Eiser voerde aan dat de veiligheidssituatie in Somalië is verslechterd, dat hij behoort tot een minderheidsgroep, en dat zijn medische situatie en familieomstandigheden in Nederland een nieuwe beoordeling rechtvaardigen. Hij stelde dat deze omstandigheden als novum moeten worden beschouwd en dat het individuele risico op schending van artikel 3 EVRM Pro nu wel aanwezig is.
De rechtbank oordeelt dat deze aangevoerde omstandigheden geen novum vormen in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb, omdat zij niet aantonen dat eiser zich gedurende een groot aantal jaren in een situatie bevindt die duurzaam verzet tegen uitzetting rechtvaardigt. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro met betrekking tot gezinsleven wordt uitgesloten in deze asielprocedure.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van nieuw gebleken feiten.