ECLI:NL:RBSGR:2009:BL3772
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke beoordeling van winst uit aanmerkelijk belang en vergrijpboete
Eiser, aandeelhouder met een aanmerkelijk belang in [E], betwistte navorderingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd door de Belastingdienst over het jaar 1998. De kern van het geschil betrof het verschil in de stand van een schuldvordering op [E] en de vraag of dit verschil als belastbare winst uit aanmerkelijk belang moest worden aangemerkt.
De rechtbank stelde vast dat het verschil van ƒ 670.001,- inderdaad tot de belastbare winst uit aanmerkelijk belang behoort, ongeacht de bestemming van de door [E] betaalde bedragen of of deze aan eiser ten goede zijn gekomen. Eiser kon niet aannemelijk maken dat de afname van de vordering geen aflossing was, noch dat er een geldleningsovereenkomst bestond.
Verder oordeelde de rechtbank dat geen vaststellingsovereenkomst tot stand was gekomen tussen partijen. Ten aanzien van de vergrijpboete stelde de rechtbank vast dat eiser in gemoede meende dat de aflossingen geen belastbare voordelen waren en dat er geen willens en wetens handelen was gericht op het bewerkstelligen van een te lage aanslag. Daarom werd de boete vernietigd.
De beroepen tegen de tweede navorderingsaanslag en boetebeschikking werden niet-ontvankelijk verklaard omdat deze waren vernietigd door verweerder. De rechtbank wees geen proceskosten toe aan eiser.
Uitkomst: Het verschil in vordering behoort tot de winst uit aanmerkelijk belang en de vergrijpboete wordt vernietigd wegens ontbreken van opzet.